donderdag 22 december 2011

Postume muzikale carrières


Dit jaar verschenen er twee boeken over Sandy Denny: afgelopen zomer kwam de herdruk van haar biografie (door Clinton Heylin) op de markt en twee weken geleden verscheen van de hand van Philip Ward een wat bescheidener boekje met losse artikelen en een wat langere beschouwing over haar teksten: 'Sandy Denny; reflections on her music'.
Dan zijn we er nog niet, qua boeken over Denny. Voor 2013 of 2014 staat namelijk een "authorized biography" op de rol.
De door Heylin geschreven biografie verscheen voor het eerst in 2000, welgeteld  22 jaar na haar dood. Het heeft er dus een tijdje op geleken dat Sandy Denny vergeten zou zijn voor de eeuw waarin zij leefde tot een eind kwam. Op die voorstelling van zaken kan nog wel wat worden afgedongen: in de jaren '80 verschenen nog enkele compilaties van haar werk, die waarschijnlijk vooral werden gekocht door mensen die haar nog kenden uit de jaren '60 en '70. Daarna bleef het toch een tijd stil. Pas aan het eind van de jaren '90 begonnen de eerste CD's met 'nooit eerder uitgebrachte opnamen' te verschijnen.

Na 2000 is de belangstelling voor Denny's werk in steeds hoger tempo gegroeid.
Linde Nijland, een Nederlandse zangeres, was er opvallend vroeg bij met haar in 2003 uitgebrachte CD 'Linde Nijland sings Sandy Denny'. In 2004 verscheen de eerste grote box-set ('A Boxful of Treasures').
Het voert te ver om alle opnieuw uitgebrachte albums (nooit eerder op CD verschenen), BBC-opnamen en andere meer of minder obscure opnamen hier te gaan uitspellen, maar tussen 2004 en de huidige dag is meer Denny-muziek verschenen dan er voor de eeuwwisseling ooit te koop is geweest.
Eind 2010 verscheen een box-set van 19 CD's die volgens zeggen Denny's volledige opgenomen output zou bevatten. Wat vervolgens niet waar bleek, natuurlijk. Dit jaar verschenen nog een CD van een Fotheringay-concert in Essen en een CD met amateuropnamen uit 1967 gemaakt bij Alex Campbell (één van de Schotse exponenten van folkboom van de jaren '60) thuis in Glasgow.
Twee maanden geleden werd een een bijzondere uiting van de belangstelling voor het werk van Denny gepresenteerd; de CD 'Don't stop singing' van de Engelse zangeres Thea Gilmore. Gilmore heeft nooit op muziek gezette teksten van Denny alsnog van een melodie voorzien.

Het lijkt er ernstig op dat Denny's muziek in de afgelopen 10 jaar meer omzet heeft gegenereerd dan tijdens haar leven.

Deze groeiende belangstelling voor Sandy Denny en haar muziek valt niet te verklaren vanuit de hang naar het verleden van vijftigers zoals ikzelf, die haar platen in de jaren '70 kochten. Zowel Thea Gilmore als Linde Nijland schat ik al gauw twintig jaar jonger dan ik zelf ben; ze waren kleuters toen Denny van de trap viel en kort daarna aan een hersenbloeding overleed. De schrijver van het deze maand verschenen boekje dat ik hierboven noem, Philip Ward, was weliswaar een tiener in de jaren '70, maar geeft ergens in zijn boekje onomwonden toe dat Denny hem, tot de late jaren '90, nauwelijks interesseerde.
Een recente aanwinst binnen de Britse folkscene, Rachel Unthank, geboren ná Denny's dood, heeft nog niet  zo lang geleden gezegd: "Don't listen to her! You'll realise that the rest of us are wasting your time!"
De Denny-cultus, als we dat zo mogen noemen, is min of meer uit het niets gegroeid. De vraag is wat de aanleiding was en wat de factoren waren die een rol hebben gespeeld. Ik heb er vooralsnog geen antwoord op.

Al iets eerder dan dit bij Sandy Denny het geval was, is een andere figuur uit de folkboom van de jaren '60 en '70 een dergelijke postume carriëre ten deel gevallen. In 2000 maakte Volkswagen een tv-commercial, waarbij 'Pink Moon' van Nick Drake de 'soundtrack' was.
Nick Drake was één van de meer mysterieuze singer-songwriters die de jaren '60 en '70 hebben voortgebracht. Van de 3 albums die hij tussen 1969 en 1972 maakte, werden er naar verluidt in de jaren direct na hun verschijnen niet meer dan 5000 verkocht. Overigens heb ik zelf, waarschijnlijk in 1974 of 1975, zijn tweede album 'Bryter Layter' gekocht. Dat was op dat moment nog gewoon in Dordrecht te koop *).
Nadat Drake in 1974 (naar algemeen wordt aangenomen) zelfmoord pleegde, bleef zijn muziek slechts een inspiratiebron voor een select groepje muzikanten. In 1979 verscheen de box-set 'Fruit Tree' met de drie eerder uitgebracht albums plus vier losse opnamen die nooit eerder waren uitgebracht. Desondanks werd 'Fruit Tree' een commerciële flop.
De eerste biografie in boekvorm verscheen in 1997, maar de VW-commercial zorgde voor Drake's èchte doorbraak naar een groter publiek. Een maand nadat dit spotje was verschenen, waren er van Drake's albums meer exemplaren verkocht dan in de dertig jaar daarvoor.

Denny's hernieuwde carrière voltrekt zich wat geleidelijker dan die van Drake. Of het hoogtepunt al bereikt is zal nog moeten blijken. Ondanks het recente succes van zowel haar muziek als die van Drake, blijven beiden min of meer cultfiguren. De parallel met andere grootheden uit de popmuziek zoals Jimi Hendrix en Jim Morrison is hun voortijdige dood. Het grote verschil is echter dat de kwaliteit van hun muziek pas ná hun dood bredere erkenning heeft gekregen. Dat geldt vooral voor Drake, maar eigenlijk ook voor Denny's eigen muziek.
Sandy Denny was in de jaren '70 en daarna vooral bekend als zangeres van Fairport Convention. Haar solo-albums hebben nooit het succes geoogst dat haar werk met FC wèl had. Dat is niet helemaal onverklaarbaar. De vier albums die ze onder eigen naam uitbracht, zijn geen van allen een sterke eenheid en bovendien is er, vooral bij de laatste twee, regelmatig sprake van een overmaat aan strijkers en andere kitsch.
De grote verdienste van het uitmesten van de archieven, zoals dat de afgelopen jaren heeft plaatsgevonden, ligt in de aanzienlijke hoeveelheid demo's en alternatieve takes van bekende nummers die daarbij zijn opgedoken. Veel van dit materiaal laat slechts Denny's stem en haar piano of gitaar horen. Zodoende is pas de laatste jaren duidelijk geworden dat haar kwaliteit helemaal geen zware productie of massa's strijkers nodig heeft.  Sterker nog: Denny presteerde in de studio vaak pas na ettelijke takes net zo goed als voor publiek meestal het geval was. Vaak zijn het dus de live-opnames die eruit springen.
Misschien wel het meest intense wat er van haar is opgenomen is de bootleg "Live at Ebbet's Field" uit 1973. Van dat optreden presenteer ik twee songs: 'The End of the Day' en 'John the Gun'. Het contrast tussen Denny's nerveuze gebabbel tussen de twee nummers en de tomeloze inzet tijdens de uitvoering van de songs is opvallend en, naar het schijnt, kenmerkend voor haar optredens. Van fluisterende intimiteit naar orkaankracht binnen enkele seconden.

Misschien is het ook één van de verklaringen voor haar lumineuze postume carrière.




*) Ik heb de plaat nog steeds. U mag een bod doen.















zaterdag 10 december 2011

De biografie van Bert Jansch



Ruim twee maanden geleden overleed Bert Jansch.
Hoewel hij één van de singer-songwriters van het eerste uur was ben ik, toen  mijn muzikale smaak in de jaren zeventig min of meer volwassen werd, erin geslaagd hem grotendeels te missen. Ik heb in die jaren welgeteld één plaat van Pentangle gekocht ('Reflection', uit 1971), maar verder ging mijn kennismaking met Jansch tot voor kort niet.
Toch zat zijn neusstem en het vage besef dat hij een bijzondere persoonlijkheid was, sindsdien min of meer tussen mijn oren.

Dat ‘missen’ is misschien ook wel gedeeltelijk verklaarbaar. Begin jaren zeventig had Pentangle haar grootste successen achter de rug. In 1973 verliet Jansch de band, die daarna uiteenviel. De solo-albums, die Jansch daarna maakte, gingen onopgemerkt aan mij voorbij.
Daar kwam nog bij dat ik in die tijd nog een afkeer had van jazz en Pentangle was nu eenmaal een mengsel van jazz en folk. Terugkijkend misschien één van de unieke kwaliteiten van de band, maar destijds viel het bij mij niet 100 % in het bakje. Veel folkrock uit die dagen ging er wèl in als koek, maar daar kom ik bij een andere gelegenheid nog wel eens op terug.

Ongeveer een jaar geleden las ik ‘Electric Eden’, het magnum opus van Rob Young over de geschiedenis van de Britse folkmuziek in het algemeen en de folkboom van de jaren zestig en zeventig in het bijzonder. Dat boek wekte de sluimerende liefde voor het genre weer tot leven en in de periode daarna heb ik een reeks van biografiën van artiesten uit de toenmalige folkscene gelezen.
Eén van die boeken was de de biografie van Bert Jansch, 'Dazzling Stranger', geschreven door Colin Harper.
Hoewel de biograaf 25 jaar jonger is dan zijn onderwerp, kenden Harper en Jansch elkaar ook buiten de context van dit boek vrij goed. Desondanks is het geen erg persoonlijk verhaal geworden. Jansch zelf komt in het boek relatief weinig aan het woord. De informatie komt voornamelijk van mensen die hem gekend hebben, al dan niet gefilterd door Harper.
Jansch lijkt in sociaal opzicht een buitenbeentje te zijn geweest. Hoewel niet mensenschuw, leefde hij toch vooral voor zijn muziek. Dat deed hij in het algemeen zonder veel aandrang om tot een sterrenstatus te geraken. Jansch deed meestal alleen waar hij zin in had en was in zakelijk opzicht vrij naief.
'Rusteloos' is ook een kwalificatie die opkomt. Tot de jaren negentig lukte het Jansch niet een huiselijk leven te lijden. 'On the road' zijn bleef heel lang onontbeerlijk voor hem.
Een opvallend aspect van de biografie is het gegeven dat we al halverwege het boek zijn als Jansch' eerste plaat uitkomt; Harper maakt veel werk van Jansch' 'vormingsjaren' gedurende de eerste helft van de jaren zestig. Het aardige daarvan is dat er en passant een aardig beeld wordt geschetst van het muzikale leven in de beginjaren van de Britse folkboom. In dit opzicht vormt het een mooie aanvulling op 'Electric Eden'. Soms gaat het bladzijden lang over allerlei mensen, behalve over Jansch. Bekende figuren uit die periode zoals Ewan MacColl en Anne Briggs komen uitgebreid aan de orde. 
Briggs en Jansch hadden een korte periode iets samen. Ook in muzikaal opzicht beïnvloedden ze elkaar. Jansch ging onder haar invloed meer Britse muziek spelen (tot 1965 speelde hij vooral Amerikaans materiaal) en Briggs begon zelf songs te schrijven. Eén van Jansch' klassiekers is de traditional 'Blackwaterside', die hij leerde van Briggs. Jansch speelt het met een blues-achtige riff als basis. Het resultaat is in één woord 'haunting'. Op YouTube staat een aardige documentaire over Jansch (met Billy Connoly als anchorman), die Jansch' transitie van Americana naar Britse folk -via Anne Briggs- mooi illustreert *.
Hoewel Jansch al voor zijn deelname in Pentangle en zelfs voor de combinatie met John Renbourn een fenomeen was in de Britse folkscene (zijn eerste album verscheen in april 1965), brachten de jaren met Pentangle (1968 - 1972) hem internationaal zijn grootste bekendheid en ook het meeste commercieel succes.
Na Pentangle volgden enkele relatief succesvolle soloplaten. In de jaren '80 kwam Jansch van lieverlee in de marge van de muziek-business terecht, ondanks het gegeven dat hij vanaf 1982 weer regelmatig met Pentangle optrad. Naast enkele albums met deze band, maakte hij in deze periode soloplaten die uikwamen op kleine labels, die weinig aan promotie deden. Als gevolg werden de albums meestal slecht verkocht. Hij speelde ook met een bonte verscheidenheid aan andere muzikanten. Geen enkele combinatie kwam echt van de grond.
Het bleek voor Jansch onmogelijk een bestendige relatie op te bouwen met een vrouw. Hij was nooit zonder vriendin, maar de rusteloosheid zorgde ervoor dat hij zelden langer dan een paar maanden in hetzelfde huis bleef wonen.  De vrouwen bleven soms vertwijfeld, maar soms ook opgelucht achter.
Het blijven toeren en spelen betekende ook: blijven drinken. Drinken hoorde van oudsher bij het sociale verkeer onder folkmuzikanten en Jansch was geen uitzondering op de regel. Hij was een sociale drinker; het dronken worden gebeurde meestal in de pub, na optredens. Ook wel ervóór, trouwens. Tenslotte haalde de drank hem in, net zoals dat gebeurd was met onder anderen Alex Campbell en Sandy Denny.
Eind 1987 werd hij door Rod Clements (o.a. bekend van de folkband Lindisfarne), met wie hij op dat moment speelde, in deplorabele toestand naar het ziekenhuis gereden. Daar bleek dat zijn alvleesklier op het punt stond het op te geven. De behandelend arts stelde hem een ultimatum: stoppen met drinken of doodgaan.
 Jansch stopte van de ene dag op de andere, maar het duurde nog geruime tijd voordat zijn gezondheid zich herstelde: begin 1989 onderging hij "major arterial surgery", waarna hij bovendien stopte met roken.
Daarna werd het leven rustiger. Jansch bleef optreden en albums maken tot kort voor zijn dood.

Hij overleed op 5 october 2011, een kleine maand voor zijn 68e verjaardag.


*) Helaas  is deze documentaire vanwege een auteurrechtkwestie niet langer te bekijken op YouTube. Als alternatief deze link; een interview uit april 2011. Jansch speelt tot besluit 'Blues run the game'.



vrijdag 9 december 2011

Niet geschoten is altijd mis





Het fenomeen 'tijdgeest' houdt me tegenwoordig nogal bezig.
Waarbij overigens meteen de vraag kan worden gesteld of er eigenlijk nog wel zoiets bestaat als een tijdgeest. De term doet vermoeden dat het tijdperk in kwestie een eenduidige geestesgesteldheid of wereldbeeld laat zien. We kunnen daarentegen constateren dat het qua meningen in media en publieke opinie  meer dan ooit tevoren alle kanten opgaat. Ook al omdat allerlei tegenstellingen, waarvan we dachten dat die voor altijd verleden tijd waren, toch weer op lijken te duiken.
Wat een consistent wereldbeeld inhoudt, weten veel mensen überhaupt niet meer. Laat staan dat ze er één hebben. Je kunt vertegenwoordigers van de stem des volks steeds vaker dingen horen uitkramen die met de beste wil van de wereld niet in één wereldbeeld zijn onder te brengen. Ze worden daarin ook nauwelijks gecorrigeerd. Niet door jan-met-de-pet en ook nauwelijks door de media. Wie  vraagt hoe het eigenlijk gesteld is met het wereldbeeld van die laatsten, heeft ook meteen het antwoord.

Afgelopen zaterdag stond er in de Volkskrant een artikel van een zekere Rutger Bregman, waarin werd betoogd dat bedenkers van "onuitvoerbare dromen" te weinig ruimte kregen. Het direct afserveren van mensen met utopische denkbeelden was volgens Bregman zo zachtjes aan een plaag geworden. Hoewel ik met hem meevoelde, vond ik ook dat Bregman zijn verhaal wat  handiger had kunnen inkleden.
Zodra het woord 'utopie' valt, haken veel mensen al af. Van Dale geeft niet voor niks als eerste betekenis: "niet te verwezenlijken ideaal" en pas als derde: "ontwerp voor een ideale toestand".
Bregman grijpt dus wat mij betreft een tikkeltje te hoog. In zijn plaats had ik mijn betoog niet geconcentreerd op onhaalbare zaken. Een mooi alternatief, dat mogelijk ècht zoden aan de dijk zet, is dromen over dingen die misschien nog nooit zijn vertoond, maar daarmee niet per definitie onhaalbaar zijn.

Zelfs voor de aarts-conservatieven onder ons moet het nu toch wel duidelijk zijn dat we op een aantal fronten niet door kunnen blijven gaan zoals we nu doen. Wat betreft de opwarming van de aarde verkeren sommigen nog steeds in de ontkenningsfase. Van de regering mogen we weer op veel plaatsen 130 km/u rijden. Ondertussen zitten we, lang voor het moment dat de stijgende zeespiegel en de zich uitbreidende woestijnen hele landen onleefbaar maken, met de kredietcrisis. Over een paar jaar zou het zomaar gedaan kunnen zijn met onze vleespotten.
Desondanks zie ik, zowel in mijn directe omgeving als in de media, in toenemende mate een vorm van fatalisme en negativisme waar we wat mij betreft snel vanaf moeten.
Out-of-the-box  denken en bereidheid tot veranderen zijn meer dan ooit nodig. Maar soms lijkt het wel of de burger en het journaille er collectief de voorkeur aan geven al kankerend en boos om zich heen schoppend weg te zakken in het moeras van onze collectieve ellende.

Ik geef een paar voorbeelden.
Toen de 'occupy'-beweging voor het eerst van zich deed spreken, hadden veel columnisten en andere commentatoren geen andere reactie dan het belachelijk maken van deze wild-kampeerders op grond van de constatering dat ze geen duidelijk programma of ideologie hadden. Terwijl de kern van de zaak waar de occupy-beweging voor staat naar mijn smaak volledig duidelijk is. En ook dat het probleem in kwestie niet alleen maar een zaak is voor maatschappelijke losers, maar uiteindelijk voor de hele wereldbevolking. Dat 'occupy' geen volledig uitgewerkte blauwdruk heeft voor het probleem in kwestie, is een andere zaak. Dat is iets waar politici en economen over moeten nadenken.
Vooralsnog zijn de politici daar nog niet echt druk mee, zo te zien.

Deze week kreeg ook de onenigheid binnen het FNV een onverwachte wending.
De antagonisten die de verbeelding waren van deze onenigheid moeten weliswaar beiden het veld ruimen, maar op hetzelfde moment werd 'werk met werk gemaakt', zoals wij dat bij een club waar ik ooit werkte noemden. Tegelijk met het vertrek van Agnes Jongerius en Henk van der Kolk werd namelijk een volledige vernieuwing van de vakbond aangekondigd. Meer dan een ruwe schets was idee nog niet, maar toch.
Ik vond dat zelf een verrassend, maar ook een hoopgevend resultaat. Het is al een tijd duidelijk dat velen en vooral jongeren zich in de huidige vakbonden niet vertegenwoordigd voelen. Zal ook wel iets te maken hebben met individualisme van deze tijd, maar dat alleen voldoet niet als verklaring.
Dat neemt niet weg dat de crisis, zoals die zich nu voltrekt, gecombineerd het gegeven dat het marktdenken (ondanks die crisis) nog nauwelijks is afgenomen er best eens toe zou kunnen leiden dat er nieuwe belangstelling komt voor iets als een vakbond. We zijn tenslotte niet allemaal bankdirecteuren of eigenaren van hedgefunds.
Toch werd al snel duidelijk dat vele talking heads de aangekondige nieuwe FNV direct bij het oudvuil zetten. Columniste Sheila Sitalsing had er in de Volkskrant geen goed woord voor over en een dag later verscheen zelfs in de brievenrubriek een brief van iemand die vond dat nu toch echt eens moest worden toegegeven dat het voor de vakbond over en uit was. De briefschrijver stond ongetwijfeld niet met zijn tentje op het beursplein.

Desalniettemin: zonder meteen op de proppen te komen met regelrecht utopische denkbeelden valt er volgens mij nog veel constructiefs en licht-wereldverbeterends te bedenken. En misschien zelfs uit te voeren.
Mag er dan van allerlei broodschrijvers en beroepspolitici ook iets meer worden verwacht dan cynisme en real-politiek?




zondag 27 november 2011

Volksmuziek 2


Waar waren we ook alweer gebleven?
De blues en mijn opkomende anglofilie.
Met de blues rolde het, na mijn kennismaking met Cuby & the Blizzards vanzelf verder. De singles van Peter Green's Fleetwood Mac begonnen te verschijnen ('Need your love so bad', 'Black magic woman', 'Oh Well') en op Veronica had een zekere Harry Knipschild rond een uur of negen 's avonds een bluesprogramma waarvan ik de naam ben vergeten. Daar werd ook blues gedraaid die niet op single was uitgekomen. Vooral de bands van de Britse bluesboom, die op dat moment in volle hevigheid woedde, maar ook wel eens wat van mannen als Muddy Waters, Howlin' Wolf en Sonny Boy Williamson.
Een platenspeler had ik echter nog steeds niet, dus de radio bleef mijn enige bron.

Mijn goede vriend T., die ik eveneens op de Ambachtsschool was tegengekomen, deed ondertussen op een tamelijk prozaïsche manier ook een ontdekking.
T. reed in die jaren vaak een dagje mee met een buurman, die vrachtwagenchauffeur was. Op één van die ritten hadden ze twee Canadese liftsters meegenomen. Het moet redelijk knus zijn geweest in de cabine van die langneuzige Scania, maar dit terzijde. Onwillekeurig kwam het gesprek op popmuziek. Het bleek dat de dames helemaal vol waren van een zekere Bob Dylan. T. was daar dusdanig van onder de indruk (zowel van de dames als van Dylan, waarschijnlijk) dat hij Dylan's platen begon aan te schaffen, waarbij hij begon bij het begin. En juist op Dylan's eerste platen staan nogal wat liedjes waarvan de melodieën gepikt waren uit het Britse folkrepertoire. Een feit dat his Bobness wijselijk achterwege liet bij de credits op de hoes. Het werd ons pas duidelijk toen we een paar jaar later 'Nottamun Town' hoorden. Waarin we zonder mankeren 'Masters of War' herkenden.

Het ontstaan van mijn anglofilie is een wat vagere geschiedenis en heeft geen duidelijk beginpunt.
Ik had van kinds af aan een hevige belangstelling voor vliegtuigen. Speciaal de types uit de tweede wereldoorlog vond ik interessant.
Dat had alles te maken met het feit dat die oorlog nog zo dichtbij was in de jaren zestig, denk ik. De oorlog had er bij mijn familie aardig in gehakt. Misschien schrijf ik daar later nog eens over.
Duitsers waren derhalve slechteriken. Alles wat Angelsaksisch was had daarentegen een streepje voor. En als er dan moest worden gekozen tussen Britten en Amerikanen, dan viel de keus wat mij betreft toch op de Britten, met hun flegmatieke instelling ('keep calm and carry on'), hun Churchill en hun schitterende vliegtuigen, zoals de Spitfire en de Mosquito. Uit alles bleek ook dat de Britten een romantisch volk waren. En ik was een een romanticus, al wist ik dat toen nog niet.
Daar kwam nog bij dat ik in de laatste twee jaren op de Lagere School al wat Engels had geleerd, in de vorm van bijlessen die na de normale schooltijd werden gegeven. Ik verstond dus al vroeg in mijn tienerjaren het één en ander in die taal.
Van de weeromstuit begon ik, naast Veronica, ook naar de BBC te luisteren. Ik luisterde niet alleen naar muziek, maar ook veel naar gepraat. Hoe weet ik niet precies, maar luisteren naar Engels gepraat werkte rustgevend. Ik kon er uren mee zoekbrengen. Het 'shipping forecast' ("Hebridies, Faeroes, Fair Isle, Forties, Cromarty") klonk me als poëzie in de oren.
Tijdens dat tamelijk lukraak beluisteren van de Britse radio ontdekte ik op zeker moment op zondagmiddag een programma dat volledig was gewijd aan folkmuziek. Het heette 'Folk on Sunday' en een significant detail is dat de herkenningstune het laatste deel was van de dance tune-medley die op 'Liege and Lief' van Fairport Convention staat. Een feit waar ik overigens pas achter kwam toen ik de desbetreffende lp in handen kreeg, één of twee jaar later.
Met enig googelen kon  ik deze week achterhalen dat het programma vanaf begin 1972 werd uitgezonden om vier uur op zondagmiddag, gepresenteerd door Jim Lloyd.
Bij de BBC hoorde ik dus voor het eerst Europese volksmuziek. Dat was een mengeling van folkrock en meer traditionele volksmuziek. Een dwarsdoorsnede van wat de Britse folkboom uit de tweede helft van de jaren '60 en begin jaren '70 te bieden had, waarschijnlijk.

Die ontdekking was één van die zeldzame momenten waarop je gevoelsmatig weet dat je op iets bent gestoten dat bij jou hoort. Dat was altijd al het geval, maar je wist het nog niet. Toch herken je het.
Maar wat is dat 'het'?
Een belangrijke factor waren de melodieën, denk ik.
Later ontdekte ik dat in de Europese volksmuziek vooral gebruik gemaakt wordt van zogenaamde modale toonladders. Op het moment in kwestie trof me vooral het feit dat ik de melodieën vaak niet alleen mooi vond, maar ook dat ze een sfeer opriepen die niet van deze wereld was. Dat wil zeggen: de wereld zoals ik hem tot op dat moment kende; die van de jaren zeventig van de 20e eeuw. Qua muziek was dat de popmuziek van die dagen, inclusief James Last en de Egerländer Musikanten (de favorieten van mijn vader).
De volksmuziek van de Britse eilanden had daar weinig mee te maken. Die droeg de geur van ruig heuvelland, zoute kusten en allesverslindende liefdes met zich mee. Het wekte een vage reislust in me op.
Daarnaast waren er natuurlijk de zangers en zangeressen en de instrumenten. Bij de meeste folkrock-bands beperkte het instrumentarium zich tot dat van een normale rockband, met misschien een viool of een mandoline als meest exotische afwijking. Maar in de meer traditionele groepen vond je dingen als draailieren, dulcimers, uilleann pipes en Northumbrian smallpipes.
De Britse folk bleek ook een rijke traditie aan a-capella zang te kennen en groepen als de Young Tradition en The Watersons lieten horen dat dit muziek kon opleveren van een kracht die rustig 'electrifying' kon worden genoemd, zonder dat er ook maar één muziekinstrument aan te pas kwam. Luister bijvoorbeeld eens naar 'Henry the poacher' van de YT.

Wat ook bleek: folkmuziek maakte deel uit van een zekere subcultuur waarbij ik me wel thuisvoelde. Er was namelijk mijn band met de natuur (daar kom ik ook nog wel over te spreken) en een hang naar kleinschaligheid. Beide zaken die een duidelijke plaats hadden in die subcultuur.

Na mezelf een tijdje met een bandrecorder en radio-opnames te hebben beholpen, kocht ik in 1973 van mijn eerste maandloon als bouwkundig tekenaar (inmiddels had ik ook de MTS doorlopen) een platenspeler, een stereoversterkertje en twee speakerboxen. Heuse HiFi.

Het platen kopen en daarmee de ontdekkingsreis door de muziek kon toen pas echt beginnen.









vrijdag 18 november 2011

De covers van Cooder



Een tijdje geleden voerde ik een discussie met een Engelse geestverwant over Sandy Denny. Daarbij kwam de ‘tribute CD’ ter sprake die de Nederlandse Linde Nijland heeft opgenomen met covers van haar songs. Mijn correspondent, zich bewust van mijn nationaliteit, vroeg me of ik die CD kende. Ik vermoedde dat hij impliciet ook vroeg wat ik ervan vond.
Mijn oordeel was niet erg positief.
Over Denny zal ik hier vroeg of laat nog wel wat schrijven, denk ik. Laat ik het er voorlopig bij houden dat ze in het bezit was van een stem, een frasering en een timing die in niks lijkt op iets wat we voor of na haar gehoord hebben.
Nijland probeert niet om Denny exact te imiteren. Haar versies van bekende Denny songs wijken in een aantal opzichten af van het origineel. Het meest opvallend is daarbij nog de begeleiding. Ook het tempo wil nog wel eens verschillen. Jammer genoeg leidt dat nooit tot verrassingen. Het origineel blijft altijd herkenbaar in haar versie. Nijland’s zang is 'netjes' en blijft keurig maar ook stijf in de maat. Daardoor kan haar behandeling echter niet in de schaduw  staan van Denny’s frasering en timing. Alles bij elkaar leidt één en ander tot een uitvoering die niks toevoegt. Op YouTube vond ik Nijlands uitvoering van 'No End'. Als we dat naast één van Denny's uitvoeringen zetten, dan is duidelijk wat ik bedoel, denk ik
Het lijkt wel of Linde vergeten is dat een groot deel van het publiek dat haar CD koopt, dat doet omdat ze de muziek van Denny al kennen. De vergelijking tussen haar versie en die van Denny zal dus altijd worden getrokken. Dat pakt in het geval van Denny en Nijland wel heel erg in het nadeel van de laatste uit.

De enige manier om bij het uitvoeren van een cover aan een dergelijke rechtstreekse vergelijking te ontkomen is het presenteren van versie die net zo eigenzinnig en uniek is als het origineel. Of zelfs eigenzinniger.
De naam die zich daarbij direct opdringt is die van Ry Cooder.
Cooder heeft in zijn vele albums omspannende carriere vooral veel covers en etnisch muziek uit een diversiteit van muzikale tradities opgenomen. Desondanks zijn een aantal van zijn platen tijdloze monumenten geworden.
Ik haal twee voorbeelden uit zijn rijke oeuvre aan, die niet helemaal toevallig uit het begin van zijn carriere stammen, toen Cooder zijn platen nog voornamelijk vulde met Amerikaanse roots-muziek.

In 1972 verscheen het album ‘Into the purple valley’.
Het beste nummer van die plaat is volgens mij ‘Vigilante man’, dat in de jaren ’30 werd geschreven en opgenomen door Woody Guthrie als deel van zijn ‘Dust Bowl ballads’. De tekst beschrijft het riskante leven van een ‘freighttrain hobo’ en zijn angst voor de vigilante men, die door de spoorwegmaatschappijen werden ingezet om op weinig scrupuleuze wijze de goederentreinen te ontdoen van gratis meeliftende zwervers. Ongeregeld volk, dat op treinen of in gebouwen van de maatschappij werd aantroffen, werd afgerost met houten knuppels of kreeg een schot hagel. Wel iets om bang voor te zijn, dus.
Guthrie zingt het lied in de hem kenmerkende uptempo stijl. Als je even niet naar de tekst luistert zou je kunnen denken dat de zanger het zingt met de ironische beschouwing die hij in sommige andere dustbowl ballads toepast.
Cooder heeft in ieder geval wel goed naar de tekst geluisterd. Hij vormt de song om tot een langzame country blues, die de ernst van de situatie volledig duidelijk maakt. Dat hier met muzikale middelen exact de goede sfeer wordt opgeroepen wordt duidelijk als hij toekomt aan het deel van de tekst dat beschrijft hoe de hobo’s zich muisstil houden in een locomotievenloods:

Lonely nights down in the engine-house
Sleepin’ just as still as a mouse
Listenin’ to every sound in the night
Tell me was that - a vigilante man?

De grote kwaliteit van Cooder’s bewerking is tweeledig. De kracht van de tekst wordt er enorm door vergroot en de muzikale vorm geeft Cooder de mogelijkheid zijn grootste troef in te zetten; zijn onvergetelijke slide-techniek op de gitaar. Samen leiden deze factoren tot een uitvoering die mij meer aanspreekt dan het origineel, hoewel dat op zichzelf volledig overeind blijft. Woody Guthrie blijft tenslotte Woody Guthrie

Een half jaar later werd ‘Boomers story’ uitgebracht.
Het album ademt grotendeels dezelfde sfeer als ‘Into the purple valley’; een verzameling Americana variërend van patriotische liederen als ‘Rallye ‘round the flag’ tot de blues ‘President Kennedy’ van Sleepy John Estes, die de moord op JFK beschrijft, waarbij Estes overigens zelf de zang doet.
Met ‘Dark end of the street’ doet Cooder iets dat vergelijkbaar is met de aanpak van ‘Vigilante man. Opnieuw wordt het tempo ten opzichte van het origineel (van de r&b zanger James Carr) iets vertraagd en ook wordt de slidegitaar weer met optimaal effect ingezet. Maar er is een belangrijk verschil. Cooder maakt er een instrumentale versie van.
Tegen de tijd dat Cooder het nummer opnam (1972), waren er vijf jaar verlopen sinds Carr de song als eerste op de plaat had gezet. Niet alleen Cooder zag de kwaliteit van het lied; voor het hem hadden een reeks anderen al een versie ervan opgenomen, waaronder Percy Sledge en Aretha Franklin. Er bestaat zelfs een versie van Richard en Linda Thompson.
Cooder moet zich hebben gerealiseerd dat zijn zangkunsten, voor een song als deze, de vergelijking met van die van Carr en Franklin niet konden doorstaan. Hij koos eieren voor z’n geld.
De oorspronkelijke melodie, Cooders bewerking daarvan en Cooders weemoedige slide-techniek maken er iets van dat zich alleen laat herkennen als ‘The dark end of the street’ als je het origineel goed kent. De sfeer is van typische ‘stadse r&b’ veranderd in een soort pastorale blues, die weliswaar veel wijdere vergezichten biedt dan de straat uit de titel, maar evengoed een enorme melancholie overbrengt.

Cooder schijnt in latere jaren wel eens wat sikkeneurig te zijn geweest omdat zijn muziek, in verhouding tot die van andere pophelden (die hij overigens in veel gevallen van dienst was als sessie-muzikant), maar weinig geld opleverde, door het feit dat hij vooral muziek van anderen had opgenomen en zelf weinig had geschreven. Hij ontving nauwelijks royalties over zijn werk.
Gezien zijn grote verdienste voor de wereldwijde muzikale erfenis, waarmee hij zich gedurende zijn carrière vrijwel steeds heeft beziggehouden, is dat inderdaad wel een beetje zuur te noemen. Want Cooder gebruikte niet zomaar muziek van anderen; hij gaf er zijn eigen draai aan met een kwaliteit die het nummer op een geheel nieuwe manier een soort eeuwigheidswaarde verschafte.

Cooders muziek was en is tijdloos.


donderdag 17 november 2011

Volksmuziek


Terugkijkend op de ontwikkeling van mijn muzikale smaak blijft het toch een beetje raadselachtig hoe ik er ooit toe gekomen ben; mijn voorkeur voor volksmuziek.
Om de lezer niet meteen kopschuw te maken: ik draag geen geitenwollen sokken en ik ben zeker niet afkerig van rock 'n roll. Zelfs wat betreft klassieke muziek heb ik in de loop der jaren een zekere smaak ontwikkeld. Toch heeft de gevoeligheid voor muziek die zijn oorsprong vindt in de cultuur van boeren en buitenlui, zeelieden en vroege fabrieksarbeiders, tot en met Malinese barden aan toe, altijd diep in mijn binnenste gezeten. Het duurde alleen even voordat ik dat doorhad.

Vanaf het moment dat ik min of meer zelfstandig leerde denken en ik wat mijn ouders zeiden niet langer als de hoogste wijsheid beschouwde, ontwikkelde zich ook mijn muzikale smaak.
Dat nam niet weg dat ik op elfjarige leeftijd nog moest leren zwemmen.
Een hele koude en regenachtige zomer lang ging ik elke week om zeven uur 's ochtends naar het toen nog nagelnieuwe Zwijndrechtse zwembad, dat zich bevond in een even nieuw park met nog maar manshoge boompjes, aan de rand van het dorp. Het water heette verwarmd te zijn, maar als ik na de les, verkleumd tot op het bot, weer terug naar huis fietste, kon ik het klapperen van mijn tanden nauwelijks de baas. Veel dichter bij echt lichamelijk lijden ben ik eigenlijk tot nu toe niet meer gekomen.
Ik had echter iets gevonden waarmee ik het gevoel van ontreddering tijdens die vroege fietstochten kon onderdrukken. Ik zong 'The Last Time' van de Rolling Stones voor mezelf in zelfbedacht Engels. De herhalende gitaarriff die het nummer kenmerkt deed me iets. Het begrip mantra kende ik toen nog niet en evenmin wist ik wie en wat de grote voorbeelden van de Stones op dat moment waren, maar zonder het te weten had ik de bezwerende en helende functie van de blues ontdekt.

In die tijd, we schrijven omstreeks 1965, wist ik weinig meer dan dat er popmuziek was. Als bron had ik de radio. En dan nog alleen de Hilversums en Radio Veronica. Er bestond een Veronica-top 40, waarnaar ik op zaterdagmiddag luisterde. Naast de muziek van de Stones en de Kinks vond ik veel van de toenmalige Motown-muziek lekker klinken. Achteraf is dat natuurlijk ook een vingerwijzing geweest.
Van wat toen folkmuziek was, had ik nog nooit gehoord. De eerste platen van Bob Dylan waren al een paar jaar daarvoor verschenen en eigenlijk was Dylan al bezig met zijn volgende stap: het achter zich laten van de akoestische folk om zich te gaan richten op een eigenzinnige vorm van rock 'n roll. Dat ging allemaal nog aan me voorbij.

In 1966 ging ik naar wat toen de Ambachtsschool heette. Ik had, geheel op eigen initiatief, besloten dat ik geen boekenwurm was. In plaats daarvan wilde ik voetenbankjes en aardappelschilbakjes maken. Mijn ouders legden me daarbij geen strobreed in de weg, ondanks het onbegrip van het hoofd van mijn lagere school, die vond dat ik best naar de Mulo (googelt u daar eventueel maar even op) kon.
Op de Ambachtsschool kwam ik, na het eerste jaar, in dezelfde klas te zitten als Jan Storchart. Jan was wat ouder en al een stuk verder qua algemene ontwikkeling dan de meesten van ons. In alle opzichten. Hij had een vriendin (er gingen geruchten dat hij 'het' al deed), hij rookte weed en zijn favoriete band was Cuby and the Blizzards. C+B speelden in 1967 redelijk onversneden Chicago-blues.
Een vermakelijk voorval uit die tijd heb ik jaren geleden al eens in een nieuwsgroep beschreven: rhythm & blues 3

Zo kwam ik voor het eerst in aanraking met iets dat je met een beetje goede wil 'volksmuziek' zou kunnen noemen. In de jaren daarna groeide langzaam maar zeker ook mijn anglofilie. Van het één kwam het ander.



De tekenen des tijds

De wereldgeschiedenis kent sinds de eeuwwisseling van 1900 een mooie traditie van cultuurpessimisten, die hun licht deden schijnen op de richting waarin de samenleving zich ontwikkelde. Meestal was die richting volgens hen de verkeerde, zoals dit mag worden verwacht van een cultuurpessimist.
In de afgelopen eeuw deden onder anderen Oswald Spengler en Johan Huizinga van zich spreken. Beiden waren van mening dat de westerse cultuur zich op een hellend vlak bevond. Het individu dreigde ten onder te gaan in de massaliteit die mede werd veroorzaakt door de technische vooruitgang. De opkomst van het Bolsjewisme was voor beiden een veeg teken.
Spengler ontwikkelde zijn theorieën in de eerste decennia van de 20 eeuw. Huizinga's boek 'Ín de schaduwen van morgen' verscheen in 1935, maar de ideeën die erin zijn verwerkt, vormden zich al in het begin van de 20-er jaren.

De wereld is inmiddels bijna een eeuw verder en opnieuw maakt een gevoel van dreigende catastrofe zich meester van de publieke opinie. Aan vooraanstaande cultuurpessimisten  van het kaliber van Spengler en Huizinga ontbreekt het vooralsnog een beetje.
Opvallend, want nog geen twintig jaar geleden kondigde Francis Fukuyama het einde van de geschiedenis aan. Het grootste leed was volgens hem geleden. Het kapitalistische systeem had definitief gezegevierd. Alle wereldverbeteraars met hun ideologieën konden definitief met pensioen, want er was niets meer om voor te strijden.
Dat Fukuyama zich vergiste is eigenlijk tien jaar geleden al aangetoond, toen twee vliegtuigen zich in de Twin Towers in New York boorden. Inmiddels wijst alles er op dat het systeem dat alle andere systemen overbodig had gemaakt, het kapitalisme, zelf ook aan het einde van zijn latijn is. De schuldencrisis en de haperende economieën in vrijwel de hele westerse wereld zijn de symptomen.

Onder de oppervlakte van de westerse samenlevingen sluimert echter nog een ander probleem, dat op termijn misschien nog grotere consequenties kan hebben voor de samenleving, dan het gegeven dat Europa en Noord-Amerika qua economische voorspoed over hun hoogtepunt heen lijken te zijn. Hoewel er, zoals verderop zal blijken, wel degelijk een verband tussen het één en het ander kan worden gelegd.
Waren het in het begin van de 20 eeuw de massa's die werden gevreesd, inmiddels kan het individu als de grootste vijand van de maatschappij worden beschouwd.

De grootste kracht van de westerse samenleving heeft sinds de verlichting gelegen in het feit dat staatsvorming samenlevingen had geschapen die waren gebaseerd op een grondwet, een scheiding van staat en rechterlijke macht en het gegeven dat een groot aantal dingen in collectiviteit waren geregeld.
Mede daarom werd als voornaamste oorzaak van het gebrek aan vooruitgang in Afrika gewezen op het onvermogen van veel Afrikaanse landen om tot een serieuze staatsvorm te komen. Een staatsvorm die vooruitgang voor alle lagen van de bevolking mogelijk maakte. Corruptie en vriendjespolitiek hebben lang de sfeer in dit continent bepaald en nog steeds is het politieke systeem in een aanzienlijk aantal Afrikaanse landen niet koosjer.

Desondanks lijkt, naast het kapitalisme, ook het geloof in de staat zijn beste tijd te hebben gehad. In Europa is lang niet iedereen meer overtuigd van de heilzame effecten van een staat met een zekere mate van collectiviteit en bovenal: met een op democratie gebaseerd bestuur. Dat laatste is een gevaarlijke opmerking, maar niet geheel zonder grond, zoals ik hoop aan te tonen.
Het vertrouwen van de burger in het probleemoplossende vermogen van de politiek is dalende. Dat is begrijpelijk, als ik eerlijk moet zijn. De politiek is in steeds meer landen en misschien in het bijzonder in Nederland een vertoon van onmacht geworden.
De Nederlandse overheid, nu in de persoon van de huidige regeringscoalitie, put zich uit in deregulering. Men wil de ondernemende burger zo min mogelijk hinderen in het nastreven van zijn individuele belang.
In gevallen waarbij van diezelfde overheid kordaat optreden en besluitvaardigheid worden gevraagd, vallen de handen echter, in vergelijking met de vorige eeuw, veel vaker slap. Er is gebrek aan visie. Zeker als het over de langere termijn gaat. Soms rijst zelfs het vermoeden dat er sprake is van angst om te regeren en duidelijke beslissingen te nemen.
De belangrijkste reden voor die angst is de kiezer. Die heeft in de afgelopen jaren meer dan eens getoond onberekenbaar te zijn. De kiezer stelt eisen die soms onverenigbaar zijn. Hij heeft een zekere haat ontwikkeld tegen alles wat zich met zijn persoonlijke levenssfeer bemoeit of maar enigszins naar collectiviteit zweemt. Tegelijkertijd verwacht hij door de overheid te worden beschermd tegen elk mogelijk onheil.
Eén en ander leidt tot een fatale wisselwerking. Steeds meer gaat het erop lijken dat de overheid over veel zaken geen visie meer wìl hebben. Misschien hoopt men zo te voorkomen dat de kiezer de heersende coalitie bij de eerstvolgende stembusgang genadeloos straft voor ideeën die de zijne niet zijn.
Wat dan weer leidt tot de contradictio in terminis van een coalitie die aan de macht wil blijven om vooral zo min mogelijk te regeren.

Zijn er dan mensen die openlijk beweren dat democratie een waardeloos systeem is en dat ze er graag afscheid van willen nemen?
Hardop gezegd wordt het nog niet, maar wel opmerkelijk is het gegeven dat er een paar jaar geleden ineens twee politieke bewegingen waren die uitdrukkelijk de traditionele vorm van een partij met leden en een jaarlijks congres lieten voor wat ie was. De PVV en Rita Verdonk's TON.
Daar komt bij dat de omgangsvormen in de Nederlandse politiek snel aan het veranderen zijn. Fascisme is nog steeds een woord dat niet mag vallen in discussies over de Nederlandse politiek. Als we bij Wilders en de PVV echter kijken naar het taalgebruik, de hang naar een zeker politiek machismo, het willen verbieden van een bepaald boek, de afwijzing van het rechtssysteem ('ik vind die rechters niks, ik vind dit proces niks') en daarmee de indirecte afwijzing van ons staatsbestel, dan zijn dat elementen die onmiskenbaar in die richting wijzen.
Toch schrikt een groot deel van de Nederlandse bevolking niet meer van dergelijke verschijnselen. Integendeel. Wilders zet die schertsvertoning die  democratie heet eens goed te kakken en laat minachting haar deel zijn. Hier en daar wordt ervan gesmuld, geloof ik.
Was minachting van de democratie niet ook een kenmerk van het fascisme?

Is het afbrokkelende geloof in de democratie een groter probleem dan de schuldencrisis? Eigenlijk is die vraag niet relevant, gezien het feit dat de Europese politiek ook op de schuldencrisis geen adequaat antwoord heeft.

Het zijn twee nagels aan dezelfde doodskist.

vrijdag 11 november 2011

Ramsey Nasr for President



Al jaren ben ik geabonneerd op de email-service van het project 'Laurens Jansz Coster' (http://cf.hum.uva.nl/dsp/ljc/indext.html). Elke weekdag krijg ik een gedicht van een Nederlandse dichter in mijn mailbox.
Vanmorgen was het van Ramsey Nasr, sinds het overlijden van Driek van Wissen onze Dichter des Vaderlands:


een mooie dag om stilte te verscheuren

een mooie dag om stilte te verscheuren.
oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
gewoon, omdat het kan. omdat één man.

het is de wet van nederland. bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.

ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in volle ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.

vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. hij huilt. ik kijk.
waar alles mag is ieder vogelvrij.

uit: Mijn nieuwe vaderland (2011)


Ramsey Nasr, die het volk een spiegel voorhoudt. 
We gedenken ernstig de oorlogen die ons land hebben geteisterd, maar aan al die stukken geschiedenis hebben we kennelijk zo weinig relativeringsvermogen overgehouden, dat één schreeuw van een eenzaam individu voldoende is voor een uitbarsting van hysterie.
Nu is hysterie een kenmerk van dit tijdsgewricht, maar zou het ook zo zijn dat dergelijke herdenkingen tegenwoordig vooral worden bezocht door hysterici?
De constatering dat alles vroeg of laat een keer in Nederland moet gebeuren, is eigenlijk verbazing over het gegeven dàt het gebeurd. Wij waren toch zo nuchter?
Aan de andere kant: "omdat het kan. omdat één man", gecombineerd met: "waar alles kan is iedereen vogelvrij", zou erop kunnen duiden dat Nasr de damschreeuwer toch als de verantwoordelijke voor het ontstane leed (de hoogbejaarde in zijn soldatenpak, die valt) beschouwt.
Los van de spiegel bevat het gedicht ook een paar mooie zinnen.
"Elkeen zoekt naar het licht als hamsters in een bak met open deuren" 
Je kan erover zeuren dat een hamsterbak geen deuren heeft en dat "elkeen" wat bedaagd Nederlands is, maar de metafoor is goed getroffen. "Oud-strijders staan te beven aan de kant/ de blikken op zwart wit" is een mooi alternatief voor "oude mensen en dingen die voorbijgaan".

Vorige week stond er in de Volkskrant een interview met Nasr. Daarin werden bepaalde aspecten van de Nederlandse samenleving ook tamelijk kritisch benaderd.
Dat in een land waar alles mag is iedereen vogelvrij is, blijft een spijkerharde waarheid. Hoe je het ook interpreteert.
Als opvolger van de zoetsappige Driek van Wissen hadden we ons geen betere Dichter des Vaderlands kunnen wensen, volgens mij.

woensdag 9 november 2011

Moest dat nou zo nodig? (introductie)

















Alweer een blog?
Ja. Het was onontkoombaar, zal ik maar zeggen. Ik was het aan mezelf verplicht, of zoiets.

Al sinds 1993 begeef ik mijzelf in de krochten van internet. Aanvankelijk via mailing-lists, later in de usenet-nieuwsgroepen. Nu heb ik zelfs een facebook-account.
Wat dat laatste betreft; vanaf het moment dat ik die account heb, weet ik dat het eigenlijk niks voor mij is. Facebook is te kortademig, te oppervlakkig; er zit veel volk dat iedere klipscheet maar met iets lolligs of buitennissigs op de proppen meent te moeten komen. Maar ja; usenet en de nieuwsgroepen zijn op sterven na dood en van mailing-lists weet ik niet eens of ze nog bestaan.

Als compensatie voor het gebrek aan prettige interactie begon ik blogs af te struinen, waarbij ik zo af en toe eens reageerde (de meeste blogs bieden die gelegenheid) op wat ik daar las. Dat leverde soms aardige stukjes communicatie op.
Ik betrapte mezelf er echter ook op dat mijn reacties soms langer waren dan de stukken die de blogger in kwestie zelf schreef. Eigenlijk misbruikte ik in dergelijke gevallen andermans blog om mijn eigen ei te leggen. De would be-schrijver als koekoek.
Ik kon het ook niet helpen. Soms heb ik nu eenmaal die onstuitbare behoefte om te schrijven. Zoals ik onlangs een blogger die nogal heeft moeten leiden onder mijn schrijfdrang vertelde: schrijven is je gedachten ordenen. Het verlost je van gedachten die anders maar in je kop blijven ronddraaien, zonder ooit tot een conclusie, of zelfs maar een dieper inzicht te leiden.

Hoe dan ook: de conclusie was duidelijk. Ik kon niet blijven doorgaan met het pesten van anderen met stukken die erop gericht leken het blog van die ander over te nemen. Er moest een eigen blog komen.
En hier is het dan. Qua uiterlijk is het nog niet helemaal wat ik voor ogen had, maar in de loop van de tijd krijg ik het misschien nog wel waar ik het hebben wil.
Voorlopig kan ik tekst produceren en daar was het om begonnen.

Dat schrijven van mij kan alle kanten uitgaan. De naam en de ondertitel van dit blog geven enige indicatie.
Als u hier blijft terugkomen, dan zult u merken dat ik mezelf soms nog wel eens boos maak. Maar eigenlijk schrijf ik tegenwoordig liever wat beschouwender stukken. Of teksten waaruit mag blijken dat er nog steeds veel te genieten valt in de wereld. Desondanks zal het vaker dan me lief is gaan over het menselijk gebrek. Mogelijk zal het zelfs zover komen dat dit blog zelf daar zo nu en dan een regelrechte uiting van is. Niets menselijks is mij vreemd, namelijk.
Het valt allemaal nog niet echt te voorspellen.
We zien wel waar we uitkomen. Ik. Maar ook u, lezer.
Want reageert u vooral, als u de behoefte voelt. Ik zal er niet om heen draaien: schrijven wordt nog leuker als blijkt dat je bij anderen ook gedachten losmaakt.
Al in de tijd van de nieuwsgroepen genoot ik zowel van schrijven, als van de discussie die daar soms op volgde. Ik ben dus ook wel wat gewend, in die zin. Niet dat ik mezelf heb aangesteld als de Internet Tough Guy op het plaatje hierboven, maar de discussies waren regelmatig op het scherp van de snede. Ik trof vaker mensen die het niet met eens waren dan dat ik medestanders aansprak met mijn verhalen.
Daarom: wees welkom als lezer, maar ook als verkondiger van de eigen mening.
Vanaf dit moment staan de lijnen open..

P.S.: Bijna had ik 'reaguurder' geschreven inplaats van 'verkondiger van de eigen mening', maar onbeschoft worden kan altijd nog, natuurlijk. Probeert u het eerst eens met streng en rechtvaardig, dan blijft het heel lang goed gaan tussen ons beiden, dat garandeer ik  u!