zondag 26 mei 2013

Het schuim der dagen


















Ergens anders schreef ik vorige week dat ik mijn eigen verjaardag nooit vier.
Inmiddels is die verjaardag bijna een week geleden, maar juist dit weekend heeft L. de goede cadeautjes voor me bedacht en zo kwam het gisteren toch nog tot een soort besloten verjaardagsfeestje.
Ik ontving 'Een handige dromer' van A.L. Snijders en 'Ga niet naar zee' van Tommy Wieringa, beiden bundels met Zeer Korte Verhalen (zkv's). Met betrekking tot mijn persoontje vond L. de titel van Wieringa's boek zeer toepasselijk, geloof ik.  Zo viel alles op z'n plek.
In het stukje over onze Zwitserse vakantie van twee weken terug noemde ik A.L. Snijders al en ook het voornemen dat ik nog wel over hem zou schrijven. Dat idee heeft dus nieuwe voeding gekregen. Misschien moet het zelfs een verhaal worden over het fenomeen zkv in het algemeen.
Om het verjaardagsfeestje nog wat feestelijker te maken gingen L. en ik voor het eerst in weken of maanden, ik ben de tel een beetje kwijt, weer eens naar de film.
L. wil altijd naar een Franse film en dit keer had ze haar oog laten vallen op 'L' écume des jours'.
“Van de regisseur van 'The eternal sunshine of the spotless mind” was de wervende tekst die de aankondiging vergezelde. Die laatste film heb ik ooit gezien en ik geloof dat ik het een goede film vond. Er was dus geen verdere discussie nodig.
'L' écume des jours' is zonder twijfel de merkwaardigste film die ik in de afgelopen jaren heb gezien. En om na zo'n pregnante mededeling maar meteen met de deur in huis te vallen: wie nu een afgewogen recensie van de film verwacht zal hier bedrogen uitkomen. De film moet vooral ervaren worden, lijkt me. Hij barst bijkans uit z'n voegen van de visuele en verbale details.

'L' écume des jours' is gemaakt naar het gelijknamige boek van Boris Vian. Dat verscheen al in 1947. Dat het nu pas is verfilmd hoeft niet te verbazen. Het vermoeden rijst dat het visueel realiseren van allerlei details uit Vian's boek tot voor enkele jaren onmogelijk was.
De naam Vian kende ik tot nu toe vooral uit de teksten van anderen.
Ik kon me daarbij niet aan de indruk onttrekken dat het gebruik van de naam niet zelden een vorm van 'name-dropping' was. In bepaalde kringen staat het goed als je er blijk van geeft een liefhebber van Vian's werk te zijn, geloof ik. Wat ik ook van die teksten had opgestoken, was dat Vian een veelzijdig mens was. Trompettist, schrijver van chansons, roman- en toneelschrijver.
Deze film was voor mij de eerste directe confrontatie met zijn werk.
'Openbaring' is in dit geval een iets te groot woord, denk ik, maar ik betrapte mezelf wèl op het gevoel iets te hebben gemist. Als 'L' écume des jours' ook maar enigszins een indicatie geeft voor de aard van Vian's andere werk, dan is zonder meer duidelijk dat hij een bijzondere en buitengewoon originele schrijver was en dan druk ik mezelf waarschijnlijk nog eufemistisch uit.
Jammer genoeg ben ik geen francofoon. Als ik goed luister en bepaalde woorden herken, dan snap ik soms bij benadering wat er gezegd wordt. Lezen gaat relatief nog het best. Het vermogen tot spreken is absoluut minimaal. Het resultaat van een technische opleiding in Nederland, waarschijnlijk.
Het is daardoor voor mij lastig tot vrijwel onmogelijk de teksten die in 'L'ecume des jour' worden uitgesproken goed te begrijpen. Toch krijg ik de indruk dat de Nederlandse ondertiteling soms wel erg grote grepen doet bij de vertaling van die teksten. Het in de film gesproken woord bevat talloze taalgrapjes, die vertaald niet goed uit de verf lijken te komen.
Dat riep meteen de vraag op of er van het boek een Nederlandse vertaling bestaat. Dat blijkt het geval. Ook die vertaling is relatief al lang geleden verschenen: in 1967 als 'Het schuim der dagen'. Even googelen is voldoende om enkele fragmenten van de vertaling op te duikelen:

'Dat palingpasteitje is uitstekend,' zei Chick. 'Hoe kwam je op het idee om dat te maken?
'Het idee is van Nicolas,' zei Colin. 'Er is een paling - of liever gezegd er was een paling - die elke dag in z'n wastafel kwam door de koudwaterleiding.'
'Dat is merkwaardig,' zei Chick. 'Waarom was dat?'
'Hij stak zijn kop eruit en slurpte de tandpastatube leeg, door er met zijn tanden op te drukken. Nicolas gebruikt alleen maar Amerikaanse ananastandpasta en daar zal hij op afgekomen zijn.'
----
Chloé keek hem nog steeds aan. Ze had blauwe ogen. Ze bewoog haar hoofd om haar krullende en glanzende haar naar achteren te schudden en legde, zonder enige aarzeling, met een resoluut gebaar, haar voorhoofd tegen de wang van Colin. Om hen heen viel een overvloedige stilte en het overgrote deel van de wereld scheen de gasvormige toestand te verkiezen en vervluchtigde.
Maar, zoals te verwachten was, hield de plaat op. Toen pas kwam Colin terug tot de echte werkelijkheid en merkte hij dat een deel van het plafond van glas was, waar een aantal bovenburen door zat te kijken, dat een dichte rij lissen de onderste helft van de muren aan het oog onttrok, dat verschillend gekleurde gassen uit hier en daar aangebrachte openingen ontsnapten en dat zijn vriendin Isis voor hem stond en hem ptievoertjes aanbood op een hercynisch schaaltje.
---- 
'Chick kwam de winkel uit. Binnen had hij niks gevonden dat de moeite waard was. Onder het lopen keek hij naar zijn voeten in de rood-bruin leren schoenen en hij verwonderde zich er over dat de één hem de ene kant op wilde trekken, en de ander de tegenovergestelde kant. Hij dacht enkele ogenblikken na, construeerde in gedachten de bissectrice van de hoek en wierp zich in de richting van die lijn. Hij werd op een haar na overreden door een grote, zwaarlijvige taxi en hij dankte zijn lijfsbehoud slechts aan de sierlijke sprong, die hem op de voeten van een voorbijganger deed belanden, welke laatste vloekte en naar het ziekenhuis ging om zich te laten verzorgen.'
Deze teksten zijn in de film vrijwel letterlijk in beelden vertaald. Je ziét die paling uit de waterleiding komen; je ziét dat plafond, dat plotseling van glas blijkt en handen en voeten doen inderdaad de vreemdste dingen. Geeft men elkaar in de film de hand, dan draaien beide handen zich bij de polsen een slag of wat in de rondte.
Voor de niet Frans-verstaande filmkijker zullen het vooral die visuele grappen en grollen zijn die de film vorm geven. In het tweede deel (hij duurt ruim twee uur) nemen die visuele rariteiten soms zelfs nachtmerrie-achtige proporties aan.
Daarmee komen we bij het verhaal zelf.
Ik wacht mezelf ervoor de betekenis te gaan duiden. Laat ik me beperken tot de constatering dat de hoofdpersonen geleidelijk aan van de hemel in de hel belanden.
Voor ik deze film zag, had ik het vage idee dat Vian een existensialist was. Na de eerste minuten van de film leek me dit een vergissing. 'Surrealist' lijkt meer in de richting te zitten. Vian lijkt zelfs een beetje de draak te steken met Jean-Paul Sartre, die in het boek en de film wordt opgevoerd als Jean-Sol Partre, maar verder volledig herkenbaar is, compleet met orakelende taal en loenzende blik.
Toch verandert de wereld in de film van een doorlopend surrealistisch feest langzaam maar zeker in een existensialistische kwade droom. Tegelijkertijd verschuift het beeld letterlijk van kleurrijk naar zwart-wit. Het loopt slecht af met een aantal hoofdrolspelers en 'la condition humaine' krijgt steeds meer de overhand.

Enfin. Aanbevolen dus.
Maar kijkt u vooral zélf wat u ervan kunt en wilt maken.
Wist u trouwens dat Kyteman, wiens echte naam Colin Benders is, is vernoemd naar de Colin die in 'L' écume des jours' de mannelijke hoofdpersoon is? En waarin vindt zo'n jongen dan uiteindelijk zijn roeping? In trompetspelen.
Ondanks Boris Vian geldt soms  nog steeds: truth is stranger than fiction.

donderdag 16 mei 2013

Another charge of the light brigade

















Vandaag is het 16 mei 2013.
Dertig jaar geleden zou ik me misschien iets herinnerd hebben bij het zien van de datum '16 mei'. Maar tot een paar uur geleden it did not ring a bell.

Sinds kort kan ik, na jaren slechts naar Nederland 1, 2 en 3 te hebben gekeken, weer een aanzienlijk aantal televisiezenders bekijken. Daaronder ook BBC One en Two. Onder het eten kijk ik tegenwoordig om zeven uur regelmatig naar 'BBC News at Six' op BBC One. Alleen dat uur verschil maakt het al bijzonder.
De Britten zijn goed in gedenken.
Zij misten niet wat bij mij inmiddels was gereduceerd tot iets dat ik wel had geweten als men mij naar de datum van de gebeurtenis had gevraagd, maar waarvan de datum alléén me niet meer triggerde.

Ineens was er een laagvliegende Lancaster bommenwerper in beeld.
Vandaag is het zeventig jaar geleden dat de Dambusters op weg gingen en een raid uitvoerden op drie stuwdammen in het Duitse roergebied. Het nieuws besteedde er een paar minuten aan, maar meldde ook dat er op BBC Two, over een half uur, een programma van een uur aan het feit zou worden gewijd.
Ik had mijn eten op en stond klaar om naar de kapper te gaan. Dat doe ik meestal op de Dordtse koopavond, één keer in de zes weken. Dit keer zag ik er van af. Ik moest dat programma zien.

En kleine veertig jaar geleden had ik een merkwaardige liefhebberij.
Ik deed onderzoek naar de luchtoorlog tussen 1939 en 1945. In het bijzonder de luchtoorlog boven de Zuid-Hollandse eilanden. Daarvoor was ik altijd al hevig geïnteresseerd in de vliegtuigen uit die periode, maar op zeker moment heb ik me op de lokale geschiedenissen gestort, die met die vliegtuigen en de operaties die ze uitvoerden verbonden waren. Ik bezocht gemeentearchieven, raadpleegde het Public Record Office in Londen en onderhield contacten met een heuse Overste van de Koninklijke Luchtmacht. Die had toegang tot de Duitse Kriegstagebücher für die Niederlande, die zich destijds in de Defensiearchieven bevonden.
Ik was niet de enige met die interesse. Van lieverlee bleek dat er overal in Nederland individuen met dezelfde materie bezig waren, vaak op locaal niveau. Er werd er zelfs een soort vereniging opgericht, die af en toe bijeen kwam om informatie uit te wisselen.
Na een paar jaar ben ik er weer mee opgehouden. De interesse verschoof naar andere zaken en ook stond de manier waarop bepaalde hobbyïsten met de zaken omgingen me niet aan. Het gaat over oorlog, namelijk. Niet over sigarenbandjes verzamelen. De blinde verzamelwoede van sommigen ging me tegenstaan.
Maar helemaal vergeten deed ik het niet. Daarvoor had alles wat ik in die periode onder ogen had gekregen teveel indruk gemaakt.

Al lang geleden kreeg ik een LP van Jethro Tull cadeau. Bursting Out heet die plaat; een live opgenomen dubbel-LP. De laatste kant sluit af met The Dambuster March. Misschien een cynisch grapje van de band, maar zeker ben ik daar niet van. Jethro Tull was altijd very British en hoogstwaarschijnlijk heeft Ian Anderson toen hij een jongetje was de speelfilm The Dambusters gezien, die verscheen in 1955. De march hoort bij de soundtrack.

Misschien wilt u ook nog weten wat er nu zo bijzonder was aan die Dambuster-raid. Er werden tijdens de oorlog zoveel bommen geworpen, tenslotte. De centra van veel steden in Duitsland tonen er nu nog de sporen van. Daarbij komt dat het strategic air offensive zoals vooral de Britten dat ontketenden, in de jaren na de oorlog aan veel kritiek heeft blootgestaan. Er werd en wordt ernstig getwijfeld aan de bijdrage die het heeft geleverd aan de val van het Derde Rijk. Desondanks heeft het aan 500.000 Duitse burgers en meer dan 50.000 RAF-vliegers het leven gekost. Het was medeverantwoordelijk voor het gegeven dat de Duitsers in mei 1945 hun Stunde Null beleefden. Het land lag volledig in puin en moest als het ware herschapen worden.
De meest gebruikte tactiek tijdens de nachtelijke bombardementen van de RAF heette area bombing. Men bombardeerde in een zo hoog mogelijke concentratie het centrum van een grote stad, zonder daarbij te mikken op specifieke fabrieken of andere zaken van militair belang.

De Dambuster-raid was van een heel ander karakter.
De Möhne, Eder en Sorpe stuwdammen en hun waterkrachtcentrales waren een belangrijke bron van electriciteit voor het Ruhrgebied. Het was echter lastig om ze met gewone bommen te raken. In de stuwmeren voor de dammen hadden de Duitsers stalen netten gehangen om aanvallen met torpedo's te voorkomen.
In een vlaag van vindingrijkheid, zoals die zich droevig genoeg vooral in oorlogssituaties voordoen, herinnerde de Britse ingenieur Barnes Wallis zich de platte steentjes die hij aan het strand voor zijn kinderen laag over het water deed scheren, voor ze na enkele keren stuiteren in zee verdwenen. Hij bedacht de bouncing bomb. Het was de bedoeling dat deze mijn van 4,5 ton op 20 m boven het stuwmeer werd losgelaten, waarna deze al stuiterend over het water zijn weg naar de stuwdam zou vervolgen. Na tegen dam te zijn gebotst, zou het ding naar de voet van de dam zinken en daar exploderen. Dat zou voldoende moeten zijn om een gat in de dam te slaan.
Het wapen werd in recordtijd ontwikkeld en de bemanningen van het 617e squadron oefenden er vervolgens enkele weken mee. Op 16 mei stegen in de avondschemering 19 Lancasters op. Ze vlogen zeer laag over Overflakkee en Noord-Brabant naar de Ruhr. Voor de dammen werden bereikt, gingen al diverse vliegtuigen verloren. Eén vloog tegen hoogspanningskabels.
De aanvallen op de dammen werden laagvliegend en onder zwaar afweervuur uitgevoerd, waarbij sommige vliegtuigen meerdere pogingen moesten doen voor de mijn kon worden afgeworpen. Bovendien bleken meerdere mijnen nodig om de dammen te breken.
Toch hadden de aanvallen succes; in de Möhne- en de Ederdam werden grote gaten geslagen. De Sorpedam werd beschadigd, maar niet doorbroken.
Van de 19 Lancasters kwamen er 11 terug. 53 bemanningsleden kwamen om het leven. Als gevolg van de overstromingen die werden veroorzaakt vonden 1200 mensen de dood, waaronder 600 dwangarbeiders.

De Britse kranten presenteerden de aanval als een groot succes, maar eind juni van datzelfde jaar hadden de Duitsers de dammen al weer zover gerepareerd dat de electriciteitsproductie kon worden hervat.
Uiteindelijk was de aanval een soort 20e eeuwse versie van de charge of the light brigade gebleken. Een groot verlies aan mensen en materieel, in ruil voor slechts een kortdurend resultaat.

Tot op de dag van vandaag is de aanval echter in het Britse collectieve geheugen blijven hangen als a deed of great gallantry.  Het ingenieuse wapen, de drieste aanval onder moordend afweervuur op twintig meter boven het water en de stalen zenuwen die nodig waren om die uit te voeren spreken nog steeds tot de verbeelding.

Het was toch heel wat anders dan het blind bombarderen van een vrijwel weerloos stadscentrum vanaf vijf kilometer hoogte.





woensdag 15 mei 2013

Kafka en de tijdgeest





















Misschien kent u, lezer, mijn persoontje ondertussen een beetje. Zoals waarschijnlijk is gebleken uit wat ik hier schrijf, ben ik in eerste instantie een romanticus. Misschien niet één van het zoetsappige soort, maar toch: een romanticus. Het liefst zou ik, in zo min mogelijk woorden gecomprimeerd, willen schrijven over de emoties die een kale alpenwei op tweeduizend meter boven zeeniveau, nog voor een deel bedekt met de sneeuw, bij mij oproept.
Maar terug uit koekoeksklokkenland neem ik onvermijdelijk weer kennis van dagelijkse gang van zaken in deze tot zichzelf veroordeelde kruising tussen een bananenrepubliek en een geordende maatschappij en het wel-en-wee van zijn constant in verwarring verkerende bewoners.

Nou ja; soms gebeurt er ook nog wel iets leuks.
Anouk, bijvoorbeeld, die met een tamelijk tegendraads lied en met verder weinig meer dan zichzelf, erin slaagt iets te doen wat geen Nederlander in de afgelopen jaren voor elkaar heeft gekregen: een goed figuur slaan op het Eurovisie Songfestival.
Los van de vraag of dit festival verder de moeite van het bekijken waard is, moet me van het hart dat we in Nederland volgens mij een stuk beter af zouden zijn met de geestkracht en de originaliteit van een paar duizend Anouks, dan met die van een paar duizend gemiddelde Tweede Kamerleden.

Het 'probleem Weekers' begon nèt voor ik op vakantie ging.
Nu, ruim twee weken later, emmert en zaagt het nog steeds door, hoewel het erop begint te lijken dat Weekers gewoon kan blijven.
Al toen het probleem werd gesignaleerd, kwam bij me op dat Weekers dan misschien laks omgaat met gesignaleerd misbruik van een regeling, maar dat niemand de vraag stelde wie de constructie van die regeling (eerst uitdelen en dan pas controleren of dat terecht was) had goedgekeurd. Dat moest toch gewoon de Tweede Kamer zelf zijn geweest?
De werkelijkheid is nog absurder, zoals ik vanmorgen in De Volkskrant las.
In 2005, toen het wetsvoorstel met de bewuste regeling in de tweede kamer kwam, werd het te vuur en zwaard verdedigd door het kamerlid Omtzigt van het CDA. Het was namelijk afkomstig van de toenmalige staatssecretaris Wijn, eveneens van het CDA.
Ook Frans Weekers zat toen al in de tweede kamer. Hij was tègen. Onder andere vanwege de fraudegevoeligheid. Maar Frans moest vóór stemmen, vanwege de regeringscoalitie die CDA en VVD op dat moment vormden (het kabinet Balkenende 2).
De heer Omtzigt voerde gisteren de oppositie aan in het streven Weekers ten val te brengen.

Dit soort kafkaïaanse toestanden zijn in de Tweede Kamer geen uitzondering. 
In 2002 vond in Nederland de parlementaire enquête naar de zogenaamde ‘Bouwfraude’ plaats. Hoe zat het ook alweer met die bouwfraude?
Aannemers verdeelden onder elkaar de opdrachten, die openbaar aanbesteed moesten worden. De verkrijger van de order vergoedde aan de concurrenten minstens de kosten van het uitbrengen van de offerte. Deze afspraken kwamen tot stand in regelmatige vergaderingen”, schrijft Wikipedia.
Een schandaal, vond de Tweede Kamer. Dus werd de genoemde parlementaire enquête opgetuigd.

Een openbare aanbesteding komt kort gezegd op het volgende neer: op basis van de ontwerptekeningen kan iedere aannemer inschrijven met de door hem opgegeven prijs voor het bouwen van het ontwerp. Bij de aanbesteding gaan de prijsopgaven in een grote bus. Een notaris leegt de bus en zoekt de opgave met de laagste prijs. Het uitvoeren van het werk wordt ‘gegund’ aan de aannemer die deze opgave heeft gedaan.

In de jaren ’90 was ik betrokken bij een onderwijs-blok op de faculteit Bouwkunde in Delft. Het heette ‘Gebouw en Proces’ en het handelde over de fasen ná het gereedkomen van een gebouwontwerp. Ook de aanbestedingfase kreeg de aandacht.
In ‘Gebouw en Proces’ gebruikten wij een leerboek, waarin de aanbestedingsprocedure nogal uitgebreid werd beschreven. Daarbij werd ook de zogenaamde ‘voorbesteding’ genoemd. Dat was een bijeenkomst die vaak plaatsvond in hetzelfde etablissement waar de feitelijke aanbesteding zou plaatsvinden, alleen één of twee uur eerder. Bij de voorbesteding waren alleen de deelnemende aannemers aanwezig. Iedere aannemer toonde de prijs die hij wilde gaan indienen. Op de laagste prijs werd vervolgens een opslag gezet, die in tweede instantie, na de officiële aanbesteding, onder de aannemers werd verdeeld; de zogenaamde ‘rekenvergoeding’. De laagste inschrijver kreeg het werk. 
Die opslag was geen willekeurig bedrag. Daar had men hele formules voor ontwikkeld, die ook gewoon in dat leerboekje stonden. In essentie was de werkwijze dus volledig transparant. Gemiddeld bedroeg de opslag 3 % van de uiteindelijke aanneemsom.
De voorbesteding werd overigens georganiseerd door een instituut dat met naam en toenaam bekend was, de zogenaamde ‘Samenwerkende Prijsregelende Organisaties Bouwnijverheid’ (SPO). Aannemers die lid waren van één de bij de SPO aangesloten aannemersbonden en aan een bepaalde aanbesteding wilden meedoen, waren verplicht dat bij de prijsregelende instantie te melden. De SPO was al sinds de jaren ’60 als zodanig actief.
Iedereen wist dus, of had kunnen weten, dat de regeling bestond. En tot de jaren ’90 vond ook niemand het een probleem. De Nederlandse overheid had de geschetste gang van zaken altijd goedgekeurd. Het was feitelijk een onderdeel van het poldermodel. De voorbesteding zorgde ervoor dat er geen aannemers failliet gingen door ernstige rekenfouten en het indienen van een te lage prijs. Want de aannemer was verplicht het werk voor de op de aanbesteding ingediende prijs te maken. Tijdens de voorbesteding kon zo’n te lage prijs nog worden teruggetrokken. Daarbij was de voorbesteding een soort garantie voor een goede prijs/kwaliteitsverhouding.

In 1992 kwam er stront aan de knikker toen de Europese Unie aangaf dat de praktijken van de SPO de door EU nagestreefde vrije marktwerking in de weg stonden. Er kwam een Europese beschikking die de voorbesteding verbood.
Na dat moment ontstond een vage toestand waarin voorbestedingen formeel verboden waren, maar feitelijk gewoon doorgingen en oogluikend werden toegestaan door de Nederlandse overheid.
Tot begin jaren 2000 een boekhouder van aannemingsbedrijf Koop Tjuchem in het televisieprogramma 'Zembla' uit de school klapte en de Tweede Kamer plotseling te klein was.
Iets soortgelijks is nu weer het geval met de 'vergroeningscertificaten', waarmee energiemaatschappijen de energie die ze aanbieden tot groene energie maken. Iedereen die zich maar enigszins in deze materie heeft verdiept, weet al jaren dat er behoorlijk wat windhandel te pas komt bij dat geschuif met vergroeningscertificaten. Maar pas nu één van die energiemaatschappijen nogal opzichtig "mea culpa" begint te roepen, wordt de Tweede Kamer wakker. Men vraagt zich af of dit allemaal maar kan. En of er niet iets moet gebeuren.

Wat kunnen we hiervan leren?
Misschien dit: dat het begrip 'kafkaïaans' soms bijna synoniem is met de veranderende tijdgeest. Wat op zeker moment een volledig geaccepteerde praktijk was, is nog geen tien jaar later onacceptabel frauduleus.

Het zijn in alle opzichten merkwaardige tijden. Normen en waarden verschuiven bliksemsnel.
Enkele weken geleden ging het bij Pauw en Witteman over Cyprus en zijn locale bankencrisis. Daar werd twee ver (onder andere door een lid van het Europees parlement) even vastgesteld dat wat geld op de bank zetten en vervolgens voor 10 procent van je tegoed worden aangeslagen om die bank te redden de normaalste zaak van de wereld was.
Het begint erop te lijken dat iedereen met een klein spaarpotje nog slechts de oude sok rest. Of de schoenendoos onder het bed. Dat lijkt in dit vermeend digitale tijdperk niet echt op vooruitgang.

Ziedaar wat observaties uit het begin van de 21e eeuw.
Tien jaar geleden dacht men bij '21e eeuw' nog aan ongekende ontwikkelingen op technisch en medisch gebied. Nu zou je af en toe kunnen denken dat we op weg zijn naar een nieuw 'Herfsttij der Middeleeuwen'.

Voor een romanticus zoals ik misschien nog niet eens zo'n afschrikkendwekkend vooruitzicht.

maandag 13 mei 2013

Terug uit het land van de koekoeksklokken


Er is, voor zover ik kan zien, onder de lezers van dit blog nog geen ongerustheid  over mijn welzijn uitgebroken, noch zijn er vragen gesteld over een eventuele writersblock.
Desondanks, om uw geduld en mogelijke bezorgdheid niet nodeloos op de proef te stellen, toch maar even een kort stukje over mijn wedervaren in de afgelopen zes weken.

Misschien was er wel een klein beetje sprake van writersblock.
Sommige stukjes laten zich in een kwartier schrijven en vertellen na die tijdsbesteding ook precies wat ik wil zeggen. Bij andere epistels heb ik de inhoud misschien wel duidelijk voor ogen, maar het onder woorden brengen leidt tot zoveel geworstel, dat ik de ontstane woordenbrij na één of twee uur maar even tussentijds opsla, in de hoop er later nog wat leesbaars van te brouwen.
Op zich niet erg, maar als vervolgens de rust ontbreekt om er nog eens een uurtje of twee voor te gaan zitten, dan kunnen er zomaar een paar weken verlopen voor er weer wat kan worden geplaatst.
De afgelopen weken ontbrak die rust en was de inspiratie niet sterk genoeg; laat ik het daar maar op houden.
De boot moest het water in. De computer van L. crashte en in het gebruiksklaar maken van de vervanger ging nogal wat tijd zitten. Als klap op de vuurpijl vertrokken L. en ik twee weken geleden naar Zwitserland.

L. heeft er gitaar gespeeld en samen hebben we stevig gewandeld en ook flink geslapen. Dat laatste lukt namelijk uitstekend na een flinke bergwandeling.
In een dorp op 1300 meter boven zeeniveau, met 300 inwoners en in de wijde omtrek een toeristenindustrie die zelf ook van zijn betriebsferiën geniet, is er geen enkele gelegenheid tot publiekelijk après dit-of-dat. We hebben dus ook weer het één en ander gelezen.

Gisteren zijn we, geheel en al opgeladen, zoals dat heet, en voor het gevoel voorzien van mèèr inspiratie dan daarvoor, weer teruggekomen in dit lichtelijk hysterische land.
Die zweem van hysterie bekruipt je gemoed al vanuit de ooghoeken als je nog ruim driehonderd kilometer van onze landsgrens verwijderd bent. Al voor je, via Luxemburg, België binnenrijdt wordt je, terwijl je zelf tegen de 120 km/u rijdt (dat is stevig doorrijden, voor mijn doen), ingehaald door zwermen vette Nederlandse stationcars, busjes en P.C. Hoofd-tractoren, die naar schatting allemaal rond de 150 rijden. De achterruit zit dicht met allerhande bagage, de jeugdige leden van het gezin loeren op de achterbank ieder naar hun eigen lcd-schermpje en op dak bevindt zich nog zo'n gestroomlijnde hutkoffer. Volgens L. neemt men daarin oma mee.
Als de verpleeghuizen te duur worden om oma er permanent in op te bergen, houdt dat ook nog wel een keer op een grapje te zijn.
Welgesteld en wakker Nederland heeft z'n buitenlandse mei-vakantie weer achter de rug.
L. en ik, hoewel iets minder welgesteld, ook.

Al eerder heb ik ergens geschreven dat ik helemaal niet zo reislustig ben.
Dat mag misschien mede blijken uit het gegeven dat ik tot twee weken geleden nooit in Zwitserland was geweest.
Dat was niet echt uit principe, hoewel de Zwitsers in de ogen van links-georiënteerde principienreiter zoals ik een tamelijk miezerig volkje zijn. Wie bijvoorbeeld het 'Dienstbüchlein' van de Zwitserse schrijver Max Frisch heeft gelezen, weet dat de Zwitsers tijdens de 2e wereldoorlog tegenover Nazi-Duitsland een tamelijk kruiperige houding hebben aangenomen. Joodse asielzoekers werden aan de grens zonder mankeren teruggestuurd. Ook nu nog is men niet altijd even hartelijk tegenover buitenlanders. Behalve als het toeristen met een goed gevulde portemonnee zijn, natuurlijk.
Om eerlijk te zijn reed ik voorheen vooral om Zwitserland heen vanwege de reputatie dat het een duur vakantieland is. Ook mij is niets menselijks vreemd.

Door een gelukkig toeval waren we er echter in het Zwitserse off-season. Vrijwel alle restaurants en veel hotels zijn van half april tot begin juni gesloten. Alle stoeltjesliften en gondelbanen zijn in dezelfde periode buiten bedrijf. Je moet voor een beetje leuke wandeling 'op hoogte' dus geen bezwaar hebben tegen 700 of meer meters klimmen te voet. Wat overigens prima sport is.
De hotels die wèl open zijn doen aanbiedingen tegen gereduceerde prijzen en ook een appartementje is in deze periode tegen een prettig prijsje te huren.
Een karretje boodschappen halen blijft echter een stuk kostbaarder dan in Nederland.

Dat gezegd hebbende, heb ik voor Zwitserland en de Zwitsers verder niets dan lof. Ook in Oostenrijk en Frankrijk zijn hoge bergen, maar Der Schweiz is ongetwijfeld het alpenland der alpenlanden.
De Zwitsers kunnen om zichzelf lachen, zoals bleek uit de verhalen van een Zwitserse stand-up comedian, die we op de televisie zagen. In de dorpen ademt alles rust. Hoewel dat ook de stilte voor de storm (het zomerseizoen) kan zijn.
We zagen reeën, gemzen, Mürmeltiere (alpenmarmotten; als ze alarm slaan lijkt het wel alsof ze op een scheidsrechtersfluit blazen), sneeuwvinken, steenarenden en nog veel meer. We hoorden tientallen koekoekken. Het geluid is overal. Daarmee is de oorsprong van de koekoeksklok ook meteen verklaard.
Het bleek dat men in Wallis hele behoorlijke wijn produceert.
De foto's hierboven tonen het panorama vanuit ons onderkomen. Als je gewoon op het balkon gaat zitten hoef ik eigenlijk al nergens meer heen (als het regent en mistig is ook niet; lekker met een boekje op de bank).

Ik hoop over het Zwitserse landschap en de natuur in de komende periode nog wat uitgebreider te schrijven. 
Wat boeken betreft las ik onder andere 'Ruim water' van A.L. Snijders. Daar kom ik ook nog op terug.

Tot Later!