donderdag 17 november 2016

Het werkende leven - deel 2 - De eerste helft

Hans Valk, 1978   -   foto: Hans Krüse, fac. Bouwkunde



























Aan het eind van deel 1 van Het werkende leven kondigde ik deel 2 aan als Van het begin tot het begin van het einde. Een aardige parafrase op een bekend citaat van Churchill, dacht ik.
Die subtitel is veranderd, zoals u ziet. Al schrijvende kwam ik erachter dat het me niet lukte mijn hele werkende leven te comprimeren in deel 2. Althans, niet tot een stuk dat past op een blog als dit.
Ik heb ervoor gekozen toch een min of meer volledige, chronologische beschrijving van mijn werkende leven neer te zetten. Die beschrijving krijgt dus ook nog een deel  3 en misschien zelfs een deel 4, dat zomaar Evaluatie en conclusie zou kunnen heten, of zoiets.. U ziet het wel.

Dat ik na de LTS (de Ambachtsschool, zoals dat destijds werd genoemd) op de MTS terecht kwam, heb ik in diverse andere stukjes op dit blog laten doorschemeren. De MTS omvatte in mijn geval een schakelklas (voor hen die niet via de MULO, maar via de LTS de MTS bereikten), twee studiejaren en een stagejaar. Daarna was er een mogelijkheid om door te stromen naar de HTS. Dat was met de resultaten die ik had behaald op de MTS een optie geweest. Maar eigenwijs als ik was, besloot ik dat ik voorlopig genoeg met mijn neus in de leerboeken had gezeten. Ik wilde gaan werken.

Na het laatste leerjaar van de MTS begon het werkende leven derhalve in 1973 met een jaartje stage lopen.
Ik had Bouwkunde gedaan en was opgeleid om tot het middenkader van de bouwsector te gaan.  behoren. In dat stagejaar was ik een half jaar assistent-uitvoerder op een bouwproject van 68 woningen. Het andere halve jaar werd doorgebracht bij een architectenbureau als aankomend bouwkundig tekenaar. Dat waren ook meteen ongeveer de uiteinden van de scope van beroepsmogelijkheden die je als MTS-er had. Er zat nog van alles tussenin, zo bleek later, maar de keuze voor de uitvoerende, of de voorbereidende, c.q. ontwerpende kant van het bouwbedrijf leek mij een essentiële.

Het halve jaar als assistent-uitvoerder was genoeg om vast te stellen dat uitvoerder worden niks voor mij was. Het bleek werk voor mensen met zo niet stalen, dan toch behoorlijke taaie zenuwen. Een uitvoerder heeft, namens het aannemingsbedrijf in kwestie, de dagelijkse leiding op een bouwplaats in handen, maar is in de praktijk nogal eens een speelbal van de omstandigheden en hogere machten. Hij wordt door het kantoor gepiepeld als de manuren uit de hand lopen en door de autoriteiten (in de vorm van de inspecteurs van Bouw- en Woningtoezicht of de Arbeidsinspectie) geteisterd als er bouw- of arbotechnische onregelmatigheden op zijn bouwplaats worden geconstateerd.
Dat arbotechnische was in de tijd dat ik begon in het bouwvak overigens nog slecht ontwikkeld. De zakken cement wogen nog 50 kilo en van het dragen van een bouwhelm of veiligheidsschoenen had nog niemand gehoord.
Het toezicht van Bouw- en Woningtoezicht was echter veel strenger dan heden-ten-dage. Voordat er beton mocht worden gestort, kwam de inspecteur kijken of de wapening, zoals die op de vergunningstekeningen stond, ook ècht in de bekisting lag en bij het slaan van de eerste funderingspalen (toen vaak nog van hout, met een betonnen 'opzetter') werd gekalenderd, om te controleren of de palen de draagkrachtige laag wel haalden. Tegenwoordig tref je op woningbouwprojecten zelden nog een inspecteur aan. De Omgevingsdienst ( zou heet de combinatie van Bouw- en Woningtoezicht en Milieudienst tegenwoordig) beperkt zich tot de grotere gebouwen. Het kleinere werk wordt grotendeels aan zijn lot overgelaten.

Bouwkundig tekenen beviel me wel. Het was op de MTS al een van mijn sterke punten geweest en bovendien ging van het werken bij een architectenbureau een zekere glamour uit. Architectuur had namelijk iets met kunst en cultuur te maken.
Mijn poging om de stage bij het architectenbureau om te zetten in een vast dienstverband liep echter spaak. Men had geen plaats voor nóg een tekenaar die een heus salaris zou moeten krijgen in plaats van een stage-vergoeding.

Dat ik  meteen daarna terecht kwam op de tekenkamer van de N.V. Schokbeton vond ik eigenlijk beneden mijn stand. Voor dat ik goed en wel had kunnen solliciteren, had ik, door tussenkomst van mijn vader, die baan al te pakken.  Kennelijk vond pa dat er geen tijd aan nodeloze sollicitaties moest worden verloren. Hij had de crisistijd meegemaakt en was zelf op aandringen van zijn moeder. politieagent geworden. Als ambtenaar had je namelijk een baan voor het leven, zo was de redenatie.

Schokbeton was een fabriek van betonelementen in mijn geboorteplaats Zwijndrecht. Hoewel men geen standaardprodukten maakte en elk betonelement op maat en naar tekeningen van de architect werd gemaakt, vond ik het voor de fabriek uittekenen van die elementen geen ècht bouwkundig tekenen. Het creatieve proces, dat had bepaald hoe die elementen eruit gingen zien, was namelijk al achter de rug.
Dat Schokbeton medeverantwoordelijk was voor een aantal gebouwen die nu tot de canon van de Nederlandse architectuur behoren, had ik toen nog niet door. Onder andere het Groothandelsgebouw in Rotterdam en de oude gebouwen van de Diergaarde Blijdorp werden gebouwd met betonelementen van Schokbeton en zijn ondertussen beiden Rijksmonumenten.

Nadat ik anderhalf jaar bij Schokbeton had gewerkt, werd ik in maart 1975 opgeroepen voor de dienstplicht.
Het vervullen daarvan had met werken niet zo heel veel te maken, maar er gingen wel zestien maanden mee heen. In laatste instantie bleek trouwens dat ik ook zestien maanden pensioen opbouwde. Het ABP telt die maanden namelijk mee als bij de overheid gewerkte tijd.

Een werkgever was in die tijd verplicht een werknemer die in dienst moest, na zijn afzwaaien weer aan te nemen. Zo werkte ik in augustus 1976 opnieuw bij Schokbeton.
Ik had in dienst echter met een reeks van leeftijdgenoten te maken gehad, die ook allemaal een opleiding hadden gevolgd en hun weg moesten gaan zoeken in de maatschappij in het algemeen en het werkende leven in het bijzonder. Een paar van hen gingen zelfs alsnog de academische studie volgen, waar ze door de dienstplicht nog niet aan toe waren gekomen. Van mijn dienstmaten had ik genoeg gehoord en gezien om te begrijpen dat ik mijn werkkring niet door mijn vader moest laten bepalen, maar dat ik vooral zelf mijn keuzes moest maken.
Een klein jaar later zei ik Schokbeton vaarwel en ging werken bij een klein architectenbureau, nog steeds in Zwijndrecht. Ik ging iets meer verdienen en het tekenen was ècht bouwkundig tekenen. Waarbij ik zelf, terwijl de architect over mijn schouder meekeek, de bouwkundige detaillering van zijn creaties uitwerkte.
Desondanks was het baantje geen doorslaand succes. Het bureau kromp in het jaar dat ik er werkte in van drie naar één personeelslid. Aanvankelijk werkten er naast de architect-eigenaar nog een projectleider en een secretaresse. De architect zelf hield er nogal afwijkende werktijden op na. Pas rond de middag verscheen hij op het bureau, hoewel dit was gevestigd in een aanbouw achter zijn woonhuis. Dat werd niet veroorzaakt door het gegeven dat hij steeds op pad was om acquisitie te doen of overleg te plegen met opdrachtgevers of aannemers. De voornaamste reden was dat hij van uitslapen hield. Dat leidde tot een zekere eenzaamheid en vaak ook tot duimendraaien aan mijn kant. Tijdens het uitwerken van zijn ontwerpschetsen stuitte ik namelijk vaak op zaken die om overleg met hem vroegen. Doe we het zus of zó? Zonder overleg kon ik vaak niet vooruit en moest ik noodgedwongen aan een andere tekening gaan werken, tot ik ook daar vastliep. Omdat hij zich na zijn aankomst op het bureau eerst een aantal uren bezighield met het leggen van eigen creatieve eieren, was het tegen de tijd dat hij beschikbaar was voor overleg vaak al half zes of zes uur. Als we eenmaal samen achter het schot (technisch tekenen gebeurde destijds nog op een tekentafel) stonden om de nodige knopen door te hakken, dan moest er vaak tot een eindje in de avond worden doorgegaan voor we alles hadden doorgenomen.
Extra uren schrijven hiervoor bleek onbespreekbaar. Mijn baas was van mening dat ik van hem toch ook veel leerde; die extra uren moest ik maar als leergeld beschouwen..

Met die manier van werken kon ik slecht leven. Bovendien kreeg ik 's morgens vaak opdrachtgevers of potentiële opdrachtgevers aan de telefoon, die ik moest vertellen dat de man die zij wilden spreken niet aanwezig was. Dat hij nog in zijn bed lag vertelde ik maar niet, maar nadat dergelijke bellers een paar keer hun neus hadden gestoten ontstond vaak irritatie. De potentiële opdrachtgevers haakten af.  We liepen door de vreemde werkuren van de baas werk mis. Dat kon niet lang goed gaan.

In het voorjaar van 1978 ging ik daarom op zoek naar een nieuwe baan.
In eerste instantie zocht ik naar vacatures voor bouwkundig tekenaars, maar toevallig stuitte ik ook op een advertentie van de Faculteit Bouwkunde van wat toen nog de Technische Hogeschool Delft heette. Die zochten voor de vakgroep Toegepaste Mechanica en Draagconstructies een soort duvelstoejager (dat woord bestaat, zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Manusje-van-alles). Iemand die de dia's voor het college van de professor bij elkaar zocht en in de zaal projecteerde, maar ook tekenwerk kon maken voor dictaten. Bovendien moest hij die dictaten gereed maken voor offsetdruk door tekst en illustraties in een lay-out te plakken. Daarnaast werd hij  in het algemeen geacht onderwijs ondersteunend bezig zijn en alle voorkomende werkzaamheden daarvoor te verrichten.

Ik schreef brieven aan de Faculteit Bouwkunde èn aan Architectenbureau Nefkens in Rotterdam, die een tekenaar zochten. Bij beiden werd ik voor een gesprek uitgenodigd.
Van Nefkens kreeg ik al snel bericht dat men wel van mijn diensten gebruik wilde maken en ook welk salaris daar tegenover zou staan. Nefkens was echter een bureau dat veel werk had, maar zelden architectuur produceerde die "in de bladen kwam". Men tekende zakelijke, utilitaire gebouwen, zonder veel ambitie maar tot volle tevredenheid van de vooral prijsbewuste opdrachtgevers. Niet echt de glamour waar ik het eerder over had, dus.
Het gesprek bij de Faculteit Bouwkunde vond plaats in het faculteitsgebouw. Dat had een hal waarin grote tafels met veel stoelen stonden en dat eigenlijk functioneerde als een soort grand café. Zonder de alcohol weliswaar, maar mèt een levendige, alternatieve sfeer. Er hing van alles aan de wanden en aan het plafond. Het was direct duidelijk dat hier alles draaide om creativiteit en ontwerpen. Het leek meer op een kunstacademie dan op een technische school.
Het gesprek verliep goed en al bij afloop daarvan werd mij gemeld dat ik hoog op de lijst van kandidaten stond. Men zou mij binnen een week bellen om te melden welke kandidaat men uiteindelijk had gekozen.
In de week die daarop volgde hoorde ik echter niets. Ondertussen had ik de aanbieding van bureau Nefkens al binnen. Maar na de sfeer op Bouwkunde te hebben geproefd, had ik eigenlijk
niet meer zo'n zin om hele dagen achter het schot te staan.  Ik voelde aan m'n water dat het werk op Bouwkunde veel meer kansen bood voor persoonlijke ontplooiing, ondanks het gegeven dat men eigenlijk op zoek was naar een manusje-van-alles.
Na anderhalve week trok ik de stoute schoenen aan. Ik belde de contactpersoon op Bouwkunde waarmee ik had gesproken. Men had nog niet beslist, zo bleek. Ik vertelde unverfroren dat ik een andere aanbieding op zak had, maar aan het werk voor de Faculteit de voorkeur gaf. En dat ik dus enigszins op hete kolen zat.
Of dat echt de doorslag gaf is mij nooit duidelijk geworden, maar binnen twee dagen werd ik teruggebeld met de boodschap dat men in mijn voordeel had besloten.

Zo begon wat ik nu nog steeds beschouw als de mooiste periode uit mijn werkende leven.



zaterdag 12 november 2016

Zeeleeuwen op een vliegtuigvleugel
























Mijn vorige blog ging over één van de dingen die mij deze week bezig hielden; de overwinning van Donald Trump bij de Amerikaanse presidentsverkiezingen en de reacties daarop. Ook in mijn onderbewuste zullen die dingen wel wat sporen hebben achtergelaten.
Er wordt, geloof ik, aangenomen dat dromen voortkomen uit ervaringen en indrukken die de dromer in de loop van zijn leven heeft opgedaan en die in dat onderbewuste een eigen leven zijn gaan leiden.
Wat mezelf betreft: eigenlijk ben ik niet zo'n dromer. Ik droom lang niet elke nacht en als dat wel het geval is kan mezelf bij het wakker worden er vaak weinig van herinneren. Als dat wel het geval is, zijn het meestal dromen die maar zo'n beetje voortkabbelen. Er gebeuren eigenlijk nauwelijks vervelende dingen. Af en toe (zie verderop in dit stukje) is er wel eens sprake van wat nerveus of neurotisch gedoe. Echte nachtmerries zijn echter heel zeldzaam.

Of het door het spektakel in Amerika kwam weet ik niet, maar vanmorgen vroeg droomde ik één van de meeste absurde dromen die ik ooit heb gehad .

Het begon met één of ander evenement, waarbij ik stond te kijken. Een hardloopwedstrijd door de stad, of iets dergelijks. Die stad leek me Dordrecht. Tot zover niks opzienbarends; ik woon er.
Onder de andere toeschouwers bevonden zich diverse kennissen. De sfeer was echter nerveus en er was verwarring. Waarover werd niet duidelijk, maar ik voelde me er ongemakkelijk bij. Ik besloot het gebeuren te laten voor wat het was en naar huis te gaan. Thuis was echter niet in Dordrecht. Ik ging lopend op weg naar Zwijndrecht, aan de andere kant van de Oude Maas, waar ik mijn jeugd heb doorgebracht.
Daarbij werd ik opgehouden door muizenissen met betrekking tot spullen die ik bij me had. Een verrekijker en nog iets anders. Om de één of andere reden had ik die apparaten gedeeltelijk uit elkaar gehaald, maar weer in elkaar zetten leverde problemen op. Het draaide uit op neurotisch gepriegel met allerlei onderdeeltjes, wat op zijn beurt leidde tot de nodige frustratie.
Eén en ander vond plaats bij de oprit van de verkeersbrug, die in Dordt de Zwijndrechtse brug wordt genoemd. Althans, de plek leek er sterk op, met als verschil dat alles veel groter en hoger scheen dan het in werkelijkheid is.
Plotseling werd ik uit mijn neurotische handwerk losgerukt. Ik zag ineens dat de brug openstond. Er kwam een enorm dwarsgetuigd zeilschip doorheen. Een buitenproportioneel groot ding; de grootste schepen op Sail Amsterdam zonken erbij in het niet. Het werd nog vreemder: een van de ra's (dat zijn die dwarshouten aan de masten, waaraan de zeilen van een dwarsgetuigd zeilschip worden bevestigd) bleek eigenlijk geen ra. Het had meer weg van een vliegtuigvleugel, gemaakt van glimmend aluminium. Maar dat was niet alles: op die vleugelachtige ra zaten een stuk of twee, drie zeeleeuwen. Ja, soms gaan dromen tamelijk diep in de details; het waren geen zeehonden, maar echt zeeleeuwen. Ze hadden de bijbehorende spitsere snuiten en stonden veel hoger op hun 'poten' (flippers?) dan zeehonden. Omdat ik pal naast de geopende brug stond, schoof één en ander op enkele meters afstand aan mij voorbij. 
Quite a sight zou men denken, maar een seconde later was ik alweer afgeleid door wat anders. Mijn blik dwaalde naar links. Ik zag een uitzicht dat ik herkende als de Oude Maas, die met een bocht afbuigt in de richting van Europoort. Een beeld dat ik in de loop der decennia mogelijk al honderden keren heb gezien. Maar nooit zo mooi als ik het nu zag. De rivier was gehuld in een ijle nevel, die langzaam door de zon werd opgelost. In werkelijkheid is die bocht in de rivier omgeven door industrie en bedrijvigheid van allerlei aard, wat niet direct pastorale gevoelens oproept. Nu was er echter sprake van een ontroerende schoonheid.

Terwijl dit beeld vervaagde, week de slaap en werd ik enigszins flabbergasted wakker.

Achteraf moet ik constateren dat de onrust en het neurotische gepruts waarmee de droom begon me niet onbekend waren. Ik droom vaker dergelijke dromen en ik snap ook wel waar ze vandaan komen. Ondanks de rustige beschouwelijkheid, die ik in dit blog probeer te etaleren, vertoon ik
soms wel degelijk neurotische trekjes en kan ik wel eens tamelijk ongecoördineerd bezig zijn.
Maar Zeeleeuwen op een vliegtuigvleugel die aan de mast van een tall schip vastzit?

Truth is stranger then fiction luidt een bekend Engels gezegde. Zou er ook een soortgelijk bon mot bestaan voor dromen met een overtreffende trap van absurditeit?


vrijdag 11 november 2016

Zorgwekkend met een ironisch kantje

cartoon: Ron Bel




















Het Ondermaanse verkeert de laatste maanden nogal vaak in het verleden. Dat is ook wel een beetje de bedoeling; dat soort stukjes zijn wat waardevaster dan beschouwingen over de actualiteit. Over dat soort ontboezemingen komt na een aantal jaren toch vaak de grauwsluier te hangen die schuilgaat achter de inmiddels ingeburgerde term met de kennis van nu. Met andere woorden: wat toen een wezenlijk punt leek, een significante dreiging of een nagel aan een doodskist, blijkt in laatste instantie een voetnoot in de geschiedenis of een verkeerde interpretatie van de werkelijkheid.

Desondanks zullen veel mensen de afgelopen dagen wel hebben ervaren als schokkend of zorgwekkend. Er is, zelfs in Nederland, ook nogal wat volk, dat de verkiezing van Donald Trump als hoopvol heeft bestempeld.
Als u mijn blog enigszins hebt gevolgd, dan begrijpt u wel dat ik niet tot die laatste groep behoor.

Toch is het een goede zaak dat een reeks van politieke figuren (Marie Le Pen van het Franse Front National, Geert Wilders en de Hongaarse  premier Orbán, om er een paar te noemen) de verkiezing van Trump als een overwinning  van het volk hebben verwelkomd. Eindelijk heeft de naamloze burger, die werkelijk overal het slachtoffer van is, een stem gekregen en komt er in de machtigste natie ter wereld iemand aan de macht die àl hun problemen gaat oplossen. Zoals zij zelf natuurlijk ook gaan doen, als ze aan de macht komen in hun eigen individuele koninkrijkjes.

Je kunt jezelf aan dergelijke uitingen ergeren. Of in een depressie verzinken omdat Nederland over vijf maanden mogelijk een soortgelijke machtswisseling te wachten staat.
Het voordeel van al dat triomfantelijke gehuil aan de extreem rechtse kant van het politieke spectrum is echter dat het meteen de bokken van de geiten scheidt.

We hebben kunnen zien wat Trump allemaal durft te roepen; hoe leugenachtig hij blijkt te zijn als zijn uitspraken op feitelijkheid worden gecheckt en ook hoe Trump de wereld indeelt. In goede en slechte mensen, en dat zonder enige nuance. Alle immigranten en moslims zijn slecht en de blanke arbeiders- en middenklasse is goed. Ook heeft Trump, zoals iedere populist, makkelijke oplossingen voor moeilijke problemen. Je bouwt muren, voert handelsbeperkingen in om de eigen markt te beschermen en draait een van de weinige dingen, die er voor de Amerikaanse onderklasse is gedaan in de afgelopen vier jaar (Obamacare) terug. Dit laatste onder het motto: "ik heb een beter idee". Wat dat idee is moeten we nog steeds horen, maar dit terzijde.
Kortom: buiten het naar beneden halen van zijn tegenstanders, het in de verdomhoek zetten van hele bevolkingsgroepen en de banvloek uitspreken over maatregelen van de voorgaande machthebbers, zonder met een beter alternatief te komen heeft Trump eigenlijk nog weinig laten zien van een concreet programma.

Dat de ultra-rechtse kopstukken van Europa Trump unaniem beschouwen als een belofte voor de toekomst, heeft dan ook niet zoveel te maken met een concreet programma om allerlei zaken te verbeteren. Men is slechts verheugd omdat het mogelijk blijkt aan de macht te komen met een campagne die, naast veel gescheld en getier, vooral gevuld is met gebakken lucht. Het gedegen onderbouwen van meningen en programmapunten is niet meer nodig. Grote woorden gebruiken en met de figuurlijke spierballen rollen is genoeg. Nooit leek aan de macht komen zo makkelijk!

Mijn hoop is dat de Europese burgers dat ook zien en vervolgens met dezelfde blik kijken naar mensen als Wilders en Marie Le Pen. Iedereen van wie de ogen nog niet helemaal dichtzitten door haat en ressentiment zal zien dat er niets structureel goeds te verwachten is van mensen die makkelijke en pijnloze oplossingen hebben voor moeilijke problemen.

Ik heb op dit blog al regelmatig gefulmineerd tegen een maatschappij die volledig wordt geregeerd door marktdenken. Een begrip dat daarmee vaak wordt geassocieerd is globalisering. Ik ben niet per definitie tegen globalisering. Globalisering kan namelijk ook inhouden in dat economieën, die tot op heden nogal achterbleven, zich kunnen ontwikkelen. De welvaart die wij al tientallen jaren kennen hoeft daardoor niet beperkt te blijven tot Noordwest Europa en de Verenigde Staten.
Wel ben ik tegen een situatie waarin globalisering slechts leidt tot uitbuiting en een nieuw soort slavernij. Het marktdenken in het algemeen zorgt er ondertussen zelfs in Europa voor dat de machtsverdeling tussen werknemers en werkgevers snel veranderd. In het nadeel van de werknemers, wel te verstaan.
Het ironische is nu dat populisten als Trump en Wilders zich ook tegen globalisering keren, maar zelf beiden uit een hoek komen waar marktdenken het evangelie was en is. Trump heeft bij het vergaren van zijn fortuin veel lol gehad van dat marktdenken en de ongebreidelde vrijheid die het mensen zoals hij bood. Wilders was tot 2006 lid van de VVD, een partij die nooit bekend heeft gestaan om zijn voorliefde voor de onderklasse, maar wel om haar onwrikbare geloof in de markt.
Ondertussen hebben hele volksstammen, en met name zij die zich veroordeeld voelen tot de marge van de samenleving, hun grootste hoop gevestigd op sterke mannen als Trump en Wilders.

Het zou om te gillen zijn, als het niet zo droevig was. Ik wil niet ontkennen dat er in de westerse wereld veel mensen zijn die reden hebben zich belazerd te voelen. Het drama is echter dat ze zich, door de sterke mannen van vandaag, met open ogen opnieuw laten belazeren.

vrijdag 4 november 2016

Hermans

foto: R. Benders
























Mijn lezen bestond tot mijn eenentwintigste jaar vooral uit het consumeren van lectuur. De boeken die ik las als ontspanning waren de bekende jongensboeken en avonturenromans. Aanvankelijk Arendsoog en Bob Evers. Later Alastair MacLean en Desmond Bagley.
Hoe ik ertoe kwam om èchte literatuur te gaan lezen, heb ik al eens uit de doeken gedaan. In de onwaarschijnlijke context van een legeringskamer op de Generaal Spoorkazerne te Ermelo viel op een zeker moment in 1975 de naam Willem Frederik Hermans. Ik moest De donkere kamer van Damokles maar eens lezen. Hoewel ik lang niet alles klakkeloos aannam van de jongeman die dit zei, heb ik deze raad opgevolgd.

Hermans lezen is één van de dingen die me hebben gevormd in de tweede helft van de jaren zeventig en de vroege jaren tachtig. Het lezen van De donkere kamer was niet veel minder dan een openbaring. Het boek was spannend en mysterieus . De sfeer van Nacht und Nebel, de onkenbare grens tussen waarheid en verdichtsel. Het dramatische einde, waarin een foto zich ontpopt als het mythologische zwaard waarnaar de titel van het boek verwijst. Het was beklemmend en ontroerend tegelijk.

Niet alleen de romans van Hermans vormden me; ook zijn essay-bundels boden me veel nieuw inzichten. De beide delen Het sadistisch universum waren een bron van inspiratie. Ook latere bundels als Houten leeuwen en leeuwen van goud en Ik draag geen helm met vederbos heb ik met veel plezier gelezen. Ze boden zoveel nieuwe ingangen tot literatuur en filosofie, dat het volgen van al die sporen me jaren heeft beziggehouden. Wittgenstein en Nietzsche, Malcolm Lowry en Markies de Sade; over al deze fenomenen en nog veel meer schreef Hermans en ventileerde hij zijn persoonlijke en soms zeer pregnante mening.
Hermans bleek, vooral in de latere essay-bundels ook nogal rechts en conservatief, maar daar kon ik mee leven. In had in die tijd niet zoveel op met wat toen links Nederland was. In tweede instantie bleek op Hermans' voorstelling van zaken ook wel eens wat af te dingen, trouwens. Hermans had vaak, maar niet altijd gelijk.
Na het lezen van alle romans die voor de jaren zeventig al waren verschenen, volgde ik de actualiteit. Uit talloos veel miljoenen, Een heilige van de horlogerie, Au pair; ik heb ze allemaal tot mij genomen. Binnen het totale oeuvre meestal niet van hetzelfde belang en kwaliteit als de eerdere boeken, maar met name de laatste twee vond ik heel leesbaar. In Au pair treffen we zelfs een milde en relatief vrolijke Hermans.
Ook Boze brieven van Bijkaart bezorgden me veel vermaak. Het bevat onder andere een prachtig stuk over Nescio. Wie bekend is met het werk en het wereldbeeld van Hermans, zou misschien verwachten dat hij van Nescio geen spaan heel laat. Hermans had veel meer affiniteit met de zakelijke stijl van Bordewijk, bijvoorbeeld, dan met een romantische schrijver als Vestdijk. Het tegendeel blijkt waar. Vervat in een jeugdherinnering, wordt het een stuk proza waarin respect en mededogen de toon bepalen.
Zo worden stijl en inhoud van Hermans'schrijven ook wel omschreven: agressief medelijden. Er is veel boosheid over vermeend onrecht, maar ook medelijden met de slachtoffers en soms zelfs met de daders

Inmiddels ligt m'n vormende tijd alweer ver in het verleden. Soms herlees ik nog wel eens stukje Hermans. Met name de essays zijn daar prima geschikt voor.
Van een afstand volgde ik de manier waarop het beheer van zijn nalatenschap vorm kreeg. Inclusief het gedoe over de biografie. Die nogal even op zich liet wachten en waarvan het schrijven bovendien was opgedragen aan de verkeerde man, zo beweerden sommigen.

Om eerlijk te zijn, na een poging tot het lezen van deel 1, dat in 2013 verscheen, was ik geneigd de criticasters van de omstreden biograaf -Willem Otterspeer- gelijk te geven.
Dit deel beslaat de periode 1921 - 1952. De literaire productie van Hermans begint eigenlijk pas in de laatste acht jaar van deze tijdsspanne. Otterspeer slaagt er echter in honderden pagina's te vullen met gepsychologiseer over Hermans kindertijd en jeugd. Familierelaties worden uitputtend uit de doeken gedaan. De biograaf kookt, aan de hand van talloze analyses van voorvallen uit Hermans' jonge jaren, het karakter, zoals Hermans dat in de jaren vijftig en daarna zou tonen, al helemaal voor. Nu is dat alles nog tot daaraan toe, maar Otterspeer doet één en ander op een tamelijk onleesbare manier.
Nog voor ik op de helft was, heb ik het boek weer teruggebracht naar bibliotheek. "Kopen kan altijd nog" had ik in eerste instantie gedacht en in laatste instantie was ik blij dat ik het geld in mijn zak had gehouden.

Najaar 2015 verscheen, voor mij vrij ongemerkt, deel 2. Opnieuw betrok ik het, pas enkele weken geleden overigens, van de lokale Openbare Leeszaal.
In 1953 is de schrijverscarriëre van WFH al onderweg en vanzelfsprekend is er met betrekking tot de periode 1953 - 1995 veel meer materiaal beschikbaar. En omdat eigenlijk alles over het ontstaan van Hermans' levensvisie al in deel 1 is gezegd, zijn psychologische analyses in dit deel veel minder talrijk, hoewel de talrijke controverses waarmee Hermans te maken krijgt en waarin hij vaak zelf de hand had, wel vaak worden gerelateerd aan zijn karakter.
Anders gezegd: ik vind deel 2 veel meer de moeite van het lezen waard. Zelfs Otterspeer's stijl lijkt beter. Deel 1 bevatte nogal wat hortende en stotende zinnen. Dat lijkt nu veel minder het geval.

Naast de essaybundels las ik in de jaren tachtig ook Scheppend nihilisme, een bundel met interviews met Hermans, die Frans Janssen samenstelde en die in 1979 verscheen. Samen bevatten deze boeken al heel veel biografisch materiaal. Heb je vervolgens ook nog wel eens gesnuffeld in de WFH-verzamelkrant van Tonnie Luiken en op de website http://www.wfhermans.net/, dan ben je aardig op de hoogte. Veel van wat Otterspeer in deel 2 van de biografie beschrijft, was voor mij dan ook geen nieuws. Desondanks komen er toch een aantal relatieve trivialiteiten naar voren die ik niet kende, maar die onwillekeurig het beeld verder nuanceren.

Zo was Hermans kennelijk een belabberde chauffeur. Met desondanks een voorliefde voor snelle auto's. Zijn eerste was nog een tamelijk burgerlijke Saab.
De tweede was echter een Austin Healey, die meer dan 200 km/u kon halen. Hermans had de auto pas een een paar maanden toen hij ermee over de kop sloeg. Dit zonder dat er een andere auto bij het ongeluk betrokken was. Dat hij het er vrijwel ongeschonden afbracht, mocht een klein wonder heetten; de auto was total loss.
De derde voiture was een Morgan, eveneens een Engelse sportwagen. Die was een iets langer leven beschoren, maar ook in deze auto crashte hij. Opnieuw door een fout van de bestuurder; hij raakte op een rit vanuit Istanboel in Montenegro van de weg. Dit autobiografische gegeven is jaren later verwerkt in de novelle Homme's hoest, waarin de hoofdpersoon het ongeluk overigens niet overleefd. De auto kon nog worden opgeknapt, maar inmiddels was het Hermans kennelijk duidelijk dat autorijden niets voor hem was. Hij kocht kort na het gebeuren nog een vierde auto, een Wolseley met een wat bezadigder karakter. Deze werd echter na korte tijd ook weer van de hand gedaan. Het was de laatste auto die Hermans zou bezitten.

Ook bijzonder is het gegeven dat Hermans, lang voor de club van Rome en lang voor er sprake was van de huidige klimaatproblemen, zich al zorgen maakte over de toekomst van de aarde. Hij heeft daarover geschreven in een populair wetenschappelijk boek, getiteld: Erosie, dat in 1960 verscheen. Waar het gaat over menselijke invloed op erosieverschijnselen zoals die op aarde voorkomen, laat Hermans duidelijk blijken dat hij van mening is dat op veel plaatsen deze invloed een kwalijke zaak is en dat hij verwacht dat de mens daar vroeg of laat een prijs voor zal moeten betalen.

Het beklemmendste aspect van deze biografie is de manier waarop de biograaf het sociale leven van Hermans schildert. Hermans werd met het klimmen der jaren steeds eenzamer. Vele vriendschappen gingen verloren om redenen die bij oppervlakkige beschouwing nauwelijks van belang lijken.
De eerder genoemde Frans Janssen was vanaf de jaren zeventig Hermans' belangrijkste exegeet. Ze waren daarnaast goede vrienden en maakten samen vele reizen en reisjes, vrijwel steeds met een aan de literatuur of de filosofie verwant cultureel doel.
In de jaren negentig liet Janssen, wiens professionele werk onderzoek naar de boekdrukkunst was, in een interview weten dat dit laatste voor hem toch belangrijker was dan de literatuur. Voor Hermans was zo'n uitspraak van een van zijn beste vrienden onverdraaglijk. Hij zei de vriendschap op.

foto: Maya Pejic



Hermans had ook iets met geld en zekerheid.
Begin jaren '70 was hij verhuisd naar Parijs en hij leefde daar op nogal grote voet. Wat enerzijds onvermijdelijk was, omdat Parijs een dure stad is. De twee gehuurde appartementen waar hij achtereenvolgens woonde, waren duur. Maar Hermans liet het zich in de lichtstad ook aan niets ontbreken. Buiten de deur eten vond plaats in dure restaurants en ook thuis wenste hij met niets minder dan het beste genoegen te nemen, zeker als er gasten waren.
Desondanks klaagde hij tegenover vrienden en bekenden regelmatig over geldzorgen. Mede daarom ging hij steeds meer schrijven voor kranten en tijdschriften. Het geld dat hij daarvoor ontving was lange tijd een veel regelmatiger en bestendiger bron van inkomsten, dan wat hij van zijn uitgeverij de Bezige Bij ontving voor zijn boeken.
Het lijkt er sterk op dat diep in Hermans toch nog het burgermannetje leefde, dat meer gebaat was bij zekerheid en een vast inkomen, dan bij leven als een luxe bohemien. En juist deze laatste levensstijl wilde Hermans in Parijs verbeelden.

Daarnaast bleef het gevoel van mislukking waarmee hij zijn hele leven te kampen had, Hermans achtervolgen. Was Engels of Frans maar zijn moedertaal geweest, dan was wereldwijd succes zijn deel geworden, zo dacht hij. Nu had het eigenlijk allemaal niks voorgesteld.

Daarmee krijgt deel twee van Hermans' biografie een schrijnend einde.
Al lang geleden ben ik mezelf bewust geworden van één van de redenen waarom ik mezelf, vooral in mijn jonge jaren, zo goed met Hermans kon identificeren. Veel dingen die Hermans dacht met betrekking tot de maatschappij en de medemens heb ik ook wel eens gedacht. Ik probeer mezelf er de laatste jaren op toe te leggen wat afstand te nemen van sommige van die gedachten. Of mezelf er in ieder geval van bewust te zijn dat ze veelal meer tegen me dan voor me werken, in mijn relatie tot anderen.

Deze biografie drukte me wat dat betreft weer eens met mijn neus op de feiten.

dinsdag 11 oktober 2016

Het werkende leven - deel 1, het einde.

cartoon: Tom Meyer


















Het is dinsdagochtend en ik zit thuis, achter mijn eigen computer. Hoe bijzonder is dat? Het is namelijk ook half oktober en ik zou zomaar herfstvakantie kunnen hebben. Of misschien heb ik een verlofdag opgenomen.

Vakantie of verlof zijn echter niet aan de orde.
De werkelijkheid is dat ik met pensioen ben. "Eeuwig vakantie", zou je kunnen zeggen, maar dat dat "eeuwig" wekt mij teveel associaties met de eeuwige jachtvelden. Dat doet het kennelijk bij meer mensen. Er was tenminste iemand, die, toen hij hoorde van mijn afscheid van het werkende leven, mij "veel plezier achter de geraniums" toewenste. Ik ben er nog steeds niet achter of dit nu als een grapje was bedoeld, of niet. Kennelijk denken sommige mensen nog steeds dat met pensioen gaan gelijk staat aan de overgang naar een staat van vegetatie. Ècht leven kun je het niet meer noemen.
Ik geef toe dat ook bij mij "gepensioneerd" niet per definitie positieve associaties opwekt. Heel af en toe zie ik wel eens, zo rond etenstijd, het televisieprogramma We zijn er bijna van omroep Max  voorbijkomen. Het toont het stereotype beeld van de pensionado. Krasse knarren die, niet helemaal onbemiddeld, met hun royale voiture en aanhangende sleurhut Europa bereizen. Bij elke stop verschijnen weer de klapstoeltjes en moet er direct koffie worden gezet. Nadat men zijn kleine koninkrijkje (een tijdelijk stukje Nederland in den vreemde, als het ware) heeft afgepaald, gaat men op pad om de nieuwe omgeving te ontdekken en volop te genieten van de geneugten die deze te bieden heeft. Echt puur genieten op z'n Hollands. Op zich niks mis mee, trouwens; ik doe hetzelfde, maar dan met een bootje.

Dat beeld is er echter mede verantwoordelijk voor dat de rest van Nederland, en dan met name zij die nog zo'n dertig tot veertig jaar te gaan hebben tot zij de A.O.W.- leeftijd hebben bereikt, ons gepensioneerden in toenemende mate is gaan haten. Wij vreten namelijk alles op en voor de metro-mensen van nu is er straks niks over. Denkt men.
Dat verwijt treft mij des te meer, omdat ik de zogenaamde pensioengerechtigde leeftijd nog lang niet heb bereikt. Daarmee bedoelt men over het algemeen de leeftijd waarop men A.O.W. gaat ontvangen. In mijn geval is dat 67 jaar.
Als ik mensen vertel dat ik "met pensioen ben" word ik vaak verbaasd aangekeken. Zó oud ben ik toch nog niet? Inderdaad; dat is het mooie: ik ben nog maar 62. Ik vertel er altijd maar snel bij dat ik desondanks 43 jaar gewerkt heb en dat ik bij het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds nèt (op een paar maanden na) de veertig pensioenjaren niet gehaald heb.

Datzelfde ABP biedt zijn premiebetalers het Keuzepensioen. Dat houdt in dat je vanaf je zestigste met pensioen kan. Je kiest zelf het moment en krijgt tamelijk helder de consequenties daarvan gepresenteerd. Met het inmiddels opgebouwde pensioen en de acceptatie van het gegeven dat ik er netto enkele honderden Euro's op achteruit ging, had ik de optie eerder te vertrekken.
Aanvankelijk leek het optimale moment voor vertrek het bereiken van de 63-jarige leeftijd. Toen mijn werkgever van mijn voornemen hoorde, dacht die daar anders over. Men was namelijk aan het reorganiseren en hoewel men mij al eerder weer keurig netjes had teruggeplaatst in de organisatie (zo gaan die dingen; men gooit alle werknemers in één grote pool en vist daarna de bruikbaarste krenten uit de pap; die worden vervolgens 'geplaatst' in de 'nieuwe' organisatie), kwam het de gemeente Dordrecht bij nader inzien beter uit als ik al, in het kader van deze reorganisatie, met 62 jaar zou vertrekken. Om mij ervan te overtuigen dat dit ècht voor iedereen het beste was, kreeg ik een geldpotje mee om mij te compenseren voor het extra inleveren op het pensioen dat het nòg eerdere vertrek met zich mee bracht.
In combinatie met het gegeven dat ik er tot voor kort nog in slaagde enkele honderden euro's per maand te sparen en het feit dat mijn woonlasten, door het opnieuw voor 20 jaar afsluiten van mijn hypotheek, zomaar 40 procent omlaag gingen, was de keuze, voor mij althans, niet zo moeilijk meer.

Ik zag de mogelijkheid als een beloning voor het brave leven dat ik als werkende heb geleid. Altijd gewerkt, bijna nooit ziek, nooit aanspraak gemaakt op sociale vangnetten. Keurig meebetaald aan het instanthouden van onze welvaartsstaat en het onderwijs van kinderen die ik zelf nooit heb gehad.
Rijk doodgaan is in mijn geval geen streven. Je kan één of ander goed doel in je testament opnemen. Maar terugkijkend vond ik eigenlijk dat ik de maatschappij netto meer had opgeleverd, dan gekost. Ik ben geen last geweest voor het collectief. Integendeel.

Daar komt bij dat ik gevoelsmatig, wat betreft dagelijkse bezigheden, aan iets heel anders toe was. De laatste werkende jaren waren, hoewel in allerlei opzichten best interessant, geen onverdeeld genoegen.
In combinatie met een reeks van dingen die ik nog graag zou willen doen en die helaas weinig tot geen geld opleveren, maar wel veel tijd kosten, groeide daardoor het verlangen naar een zekere vrijheid. Ten lange leste loskomen van het keurslijf. Ontsnappen aan de wereld van de grote mensen, zoals ik het in een eerdere stukje wel eens genoemd heb.
Daarom ben ik vanaf heden overgegaan op een bescheiden vorm van potverteren. Het zou wel lachen zijn als ik, bij wijze van spreken, dood ga met nog net genoeg op mijn bankrekening om mijn crematie te bekostigen. In de praktijk zal dat nog lang niet meevallen, trouwens. Alleen in de film  Le tout nouveau testament is iedereen op zeker moment op de hoogte van dag en uur van zijn of haar dood. Plannen is dus lastig. Bovendien heb ik nog een vriendin, die, ondanks het gegeven dat ze in haar eigen inkomen voorziet,  misschien best een klein appeltje voor de dorst kan gebruiken, als ze mij overleeft. Maar u begrijpt het principe.

Dit stukje is getiteld Het werkende leven. Wat is daar, na de eerder genoemde 43 jaar van te zeggen?
Hierboven maak ik melding van het feit dat ik nooit aanspraak heb gemaakt op de sociale voorzieningen. "Heb hoeven maken" klinkt in dit verband al weer wat genuanceerder. Naast mijn welhaast stuitende braafheid als factor daarbij, heb ik namelijk ook wel wat geluk gehad, denk ik.

Omdat dit epistel alweer meer dan genoeg woorden telt, bewaar ik dat verhaal voor deel 2 van het Het werkende leven; Van het begin tot het begin van het einde.

vrijdag 3 juni 2016

Dave Swarbrick

 















 Al een tijdje loop ik rond met het plan om een stuk te schrijven over Sandy Denny, eertijds zangeres van (onder andere) Fairport Convention. Over haar èn over FC heb ik overigens al eerder geschreven in dit blog. Ook Richard Thompson, eveneens oud-lid van FC, passeerde al de revue.
Mogelijk zijn Denny en Thompson in artistiek opzicht de belangrijkste leden van Fairport Convention geweest.
Maar er was nog een derde lid dat het reilen en zeilen van de band in hoge mate heeft bepaald. Misschien zelf sterker dan de eerstgenoemde twee. Tussen 1969 en de tijdelijke opheffing in 1981 is vooral hij degene geweest die voor de continuïteit zorgde. Zonder hem zou Fairport waarschijnlijk al in de eerste helft van de jaren '70 de pijp aan maarten hebben gegeven.

Al een aantal jaren lees ik regelmatig mee in Talk a While, een internetforum waar vooral over folk wordt gepraat. Het kent een aparte subgroep, die geheel aan FC is gewijd. De naam van het forum is overigens een afgeleide van Walk a While, een liedje dat op het album Full House van FC te vinden is.
Op dat forum verscheen vandaag het nieuws dat de man waarop ik hierboven doel, is overleden. Dave Swarbrick werd 75 jaar oud.

Dat hij die leeftijd heeft gehaald, mag eigenlijk een wonder heten.
Swarbrick rookte tot de jaren negentig als een schoorsteen. Tot longemphyseem hem het leven bijna onmogelijk maakte. Eind jaren negentig moest hij regelmatig zijn toevlucht nemen tot de zuurstoffles. In opnames van de spaarzame optredens uit die tijd zit hij in een rolstoel, met slangetjes in zijn neus. In 1999 publiceerde de Daily Telegraph zelfs abusievelijk zijn overlijdensbericht. Hij zou in een ziekenhuis in Coventry (tevens zijn toenmalige woonplaats) zijn overleden. Waarop Swarbrick reageerde met de opmerking: “It’s not the first time I’ve died in Coventry,”
In 2004 kreeg hij, na een benefietactie van Fairport-lid Dave Pegg en zijn vrouw, een dubbele longtransplantatie, waardoor hij miraculeus herstelde en weer zonder zuurstof en rolstoel door het leven kon. Hij verscheen weer vaker op het toneel en richtte met Maartin Alcock (ook ooit FC-lid) en Kevin Dempsey een band op die (aptly named, zoals de Britten dat zeggen) Swarb's Lazarus werd genoemd. Ook maakte hij nog een plaat met zijn oude maat Martin Carthy en in 2010 een soloplaat: Raison d'être

Swarbricks muzikale carrière begon al ver voor zijn toetreden tot Fairport Convention.
Geboren in 1941, speelde hij al eind jaren '50 in een ceilidh band en in 1960 werd hij lid van de Ian Campbell group. Daarnaast is hij te horen op opnames van Ewan MacColl, Bert Lloyd en Peggy Seeger (de vrouw van MacColl); mensen die destijds grotendeels de dienst uitmaakten op de Britse folkscene.


Ian Campbell folk group, Swarb uiterst links

















Vanaf 1965 vormde hij een duo met Martin Carthy.
Carthy was en is een zanger en gitarist met een karakteristieke, volledig eigen stijl, die zelfs indruk maakte op Bob Dylan, toen die begin jaren '60 voor het eerst in Engeland kwam. Ook met Carthy maakte Swarb diverse platen, die zelfs nu nog gelden als klassiekers uit het folkrepertoire van de jaren zestig.
Swarbrick had derhalve al ruim voor zijn toetreden tot FC een goede kennis van Britse en Ierse traditionele muziek. In tegenstelling tot veel andere folkmuzikanten was hij echter ook geïnteresseerd in het zoeken naar nieuwe wegen in die muziek.

Swarb en Carthy - vijftig jaar vrienden



















Nadat Sandy Denny in mei 1968 was toegetreden tot Fairport Convention, was zij het, die in eerste instantie de focus van de band van Amerikaanse folkrock deed verschuiven naar Britse traditionele folk. Tijdens de voorbereiding van de opnamen voor het album Unhalfbricking, begin 1969, kwamen de band en hun manager Joe Boyd tot de conclusie dat een fiddle bij een aantal van de op te nemen nummers goed van pas zou komen. Swarbrick was beschikbaar als sessie-muzikant en Boyd vroeg hem mee te spelen bij die songs.
Uit die sessies kwam ondermeer A sailors life voort, dat algemeen als het officieuze begin van de Britse folkrock word beschouwd.
Het klikte tussen Swarbrick en de rest van de Fairports. Hij werd fulltime lid van de band. Nauwelijks een half jaar later nam FC het klassiek geworden album Liege and Lief  op, dat vrijwel geheel bestond uit arrangementen van traditionele folksongs en ook een medley van enkele jigs en reels bevatte, waarin Swarbrick en Thompson duelleerden op viool en gitaar.
Daarmee was de stijl die FC tot 1981 zou kenmerken geboren en het was in niet geringe mate de stijl van Dave Swarbrick.

Swarbrick genoot van het leven als rock-artiest. Hij werd, zeker na het vertrek van Sandy Denny, het meest flamboyante lid van FC. Hij verzorgde het spektakel op toneel.

roken en spelen - lange tijd Swarb's handelsmerk
 Nadat in 1971 ook Richard Thompson vertrok, was Swarbrick eigenlijk Fairport en hij zou dat blijven tot 1981, hoewel de tijdelijke terugkeer van Denny in 1974-75 het zwaartepunt heel even deed verschuiven in haar richting.
Swarbrick hielp de band door de moeilijke jaren tussen '71 en '74 toen het eind van van FC even nabij leek. Ook in de laatste fase van het 'oude' FC, vanaf 1976, heeft hij de band overeind gehouden.

Bij heroprichting van Fairport in 1984 - 85 kwam hij echter niet meer terug. Hij was teruggegaan naar het traditionele folkcircuit van akoestische muziek in kleine zalen, ondermeer met zijn eigen band Whippersnapper. Wel verscheen hij nog regelmatig op reunies in Cropredy, die langzaam maar zeker uitgroeiden tot een jaarlijks terugkerend festival. Begin jaren '90 maakte hij opnieuw twee albums met Martin Carthy.

Enkele maanden geleden werd hij opnieuw in het ziekenhuis opgenomen. Hoewel de berichten wisselend waren, leek zijn toestand te stabiliseren. In Talk a While werd het wat stiller rond zijn gezondheidstoestand. Zijn dood vandaag kwam daardoor toch nog onverwacht.

"Het einde van een tijdperk" schreef iemand in Talk a While.
Een ogenschijnlijke platitude, die de laatste tijd nogal vaak van stal wordt gehaald. In het geval van Swarbrick is hij echter zonder meer op z'n plaats.
Swarbrick was, naast het gezicht van de klassieke Fairport Convention, een icoon van de Britse folkmuziek en een markante persoonlijkheid.

donderdag 28 april 2016

Crafty Beer




















Bier.
Toen ik net voor mijn 21e verjaardag door het Nederlandse leger werd ingelijfd, lustte ik het helemaal niet.

Merkwaardig genoeg was whisky de enige alcoholische drank die ik tot dan toe had gedronken.
Het jaar daarvoor waren mijn ouders vijfentwintig jaar getrouwd. Op het het feest dat ter gelegenheid daarvan werd gegeven, dronk een gast één of twee glaasjes whisky. De mannelijke helften van de families Valk en Van Well waren typische jonge klare-drinkers. Die kunnen het niet geweest zijn. Wie de whisky-drinker wèl was is altijd onbekend gebleven. Hoe dan ook, na het feest kregen mijn ouders de fles whisky, en alle andere aangebroken flessen waar nog wat in zat, mee naar huis onder het motto: "er is voor betaald".
Op mijn goede vriend T. (u kent hem nog uit vorige epistels) en mij oefende die fles een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit. We waren beide liefhebbers van alles wat Brits was, dus als we ons ooit zouden overgeven aan het drinken van sterke drank, dan kon het niet anders of die drank zou whisky zijn. Mijn ouders waren zo liberaal dat ze toestonden dat we die fles in een tempo van één of twee glaasjes per zaterdagavond soldaat maakten. De whisky in kwestie was Old Smuggler; een blend van gemiddelde kwaliteit, die overigens nog steeds bestaat.
Uit die eerste ervaringen met alcohol is later een liefde voor malt whisky voortgekomen, die nog steeds voortduurt, maar die vanwege de kosten nooit tot onmatigheid heeft geleid..

Op de avond van de opkomstdag zat ik met enkele tientallen andere rekruten in de kantine van Frederik Hendrik kazerne in Blerick. Na een gang langs de fourier en allerlei instructies hadden we eindelijk tijd om nader kennis te maken. Mijn lotgenoten hadden duidelijk geen alcohol leren drinken met behulp van whisky. Men dronk bier. Pils, om precies te zijn. En dat in een flink tempo. Echt lekker vond ik het niet, maar dat liet ik niet merken. Of ik de volgende ochtend een beetje fris was, vermeldt de geschiedenis niet, maar de avond daarop had min of meer hetzelfde patroon.
Daarna was ik 'door'. Ik was, naast whiskydrinker, ook bierdrinker. Hoe bitter het pils was dat we destijds dronken weet ik niet meer, maar het ontbreken van zoet in de smaak deerde me niet langer. Ik had de bitterheid van hop leren waarderen en dat is nooit meer overgegaan.

In de jaren die daar op volgden frequenteerden T. en ik het Dordtse kroegencircuit op vrijdag- en zaterdagavonden. Het bijzondere van sommige Dordtse cafés in die tijd was het gegeven dat er bier van hoge gisting te koop was. We spreken dan over Duvel, Westmalle en allerlei andere echte of pseudo-trappisten van Belgische oorsprong.
Bijzonder, want in de rest van Nederland (Brabant uitgezonderd, misschien) wist men in de jaren '70 nauwelijks dat er iets anders bestond dan laaggegist bier (pils of oud bruin). Voor zover men wel eens van trappistenbier had gehoord, werd dat beschouwd als iets exotisch, dat vrijwel nergens op de kaart stond.
Niet in Dordt, dus. Wat hiervan de oorzaak was is nooit onomstotelijk vast komen te staan, maar mijn vermoeden is dat de kroegen in kwestie (ik noem speciaal de reeds lang verdwenen Meierijsche Kar) van oudsher een clientèle van binnenvaartschippers hadden, waaronder ook veel Belgen.

Café de Meierijsche Kar, schilderij Marijke Bonte



















Die Belgen waren gewend aan de rijke biercultuur van hun vaderland en wilden ook in buitenlandse havens wel eens wat anders drinken dan pils. Misschien ook wel omdat de Belgen in die tijd niet direct een hoge pet op hadden van het Nederlandse bier.
De Dordtse kroegbazen haalden hun hoge gisting meestal zelf in België. Geen enkele Nederlandse drankengrossier had het op voorraad.
T. en ik gingen daar op zeker moment ook toe over. Aanvankelijk reden we helemaal naar Brouwerij Timmermans in Itterbeek, opzij van Brussel. Daar verkocht men niet allen de eigen producten, maar dreef men tevens een drankengroothandel, waar je de auto gewoon naar binnen kon rijden om een paar kratten bier in te laden. Men had een groot deel van het Belgische assortiment in huis.
Dat we naar Timmermans gingen had ook iets te maken met onze voorkeur voor èchte Gueuze. Dit bier van spontane gisting werd in Dordt verkocht in de versies van Bellevue en St. Louis. Dat vonden wij echter vrouwenbier. Gezoet en geschikt gemaakt voor de smaak van het grote publiek. Echte Gueuze had gist op de fles en een frisse, rinse smaak. Dat rinse pakte bij het weerbarstige natuurproduct wel eens uit als regelrecht zuur, maar Timmermans slaagde er in een vrij constante kwaliteit te produceren, die volledig aan onze eisen voldeed.

Kortom, wij werden connoiseurs. Pils drinken we nog wel, als we dorst hebben. Maar voor het rustige, serieuze genieten komt toch eigenlijk niets anders in aanmerking dan een hoge gisting met nagisting op de fles. Ongepasteuriseerd, levend bier. Het kan smaaknuances hebben die niet onder doen voor een goede rode wijn en net als wijn heeft zulk bier een afdronk. Je neemt een slok; je proeft iets en nadat je het in je slokdarm hebt laten glijden, proef je nog steeds iets, hoewel dat niet noodzakelijkerwijs is wat je in eerste instantie proefde.

Een paar weken geleden kwam ik op een blog, dat ik regelmatig lees, een verhaal tegen over 023, een lokaal bier uit Haarlem van Brouwerij het Uiltje. De brouwer wenst het crafty beer te noemen. Waarbij de blogger in kwestie fijntjes opmerkte dat crafty in het Engels staat voor "gluiperig, geniepig, achterbaks". Dat kon toch niet de bedoeling van de brouwer zijn?
Mijn reactie luidde als volgt:
 
Misschien is ‘crafty’ in dit geval toch het goeie woord.
Ik ben even naar de website van de brouwerij gegaan. Het geheel ziet eruit als één grote oefening in marketing van een bedenkelijk soort. Het is allemaal ontzettend jolig, met als dieptepunt een bier (ik haat het woord ‘biertje’; dan denk ik direct aan die rommel van Heineken) dat ‘Even lekker met je bek in het zonnetje’ heet. Zo’n naam combineert dan weer lastig met het gegeven dat de hele site het Engels als voertaal hanteert. Men verkoopt niet alleen bier. Ook aan ‘got the t-shirt’ is gedacht.
Maar goed. Ik ben al bijna twee-en-zestig en drink hoge gisting sinds de jaren zeventig. Toen kwam dat vrijwel exclusief uit België. Maar nu is ambachtelijk bier ontdekt door hipsters. Eerst in Amerika. Terecht overigens, want tot voor een jaar of tien was het Amerikaanse bier met voorsprong het slechtste ter wereld.
En omdat alles wat in Amerika ‘hot’ is, dat na een paar jaar ook in Nederland is, worden we nu hier ook overspoeld door bier van kleine brouwerijen, dat nu ineens ‘craftbeer’ heet.
Er zijn zoveel brouwerijen en bieren dat het niet kan missen of binnen een jaar of vijf wordt de markt opnieuw opgeschud en zijn 80% van die brouwerijen weer verdwenen. Hoewel ik ook moet zeggen dat er soms verbazingwekkend goed spul tussen zit, waarvan het jammer zou zijn als het weer verdween.
Ik verbaas me over de prijzen die worden gehanteerd. Voor wie is dit bier bedoeld? Wij ouwe zakken zijn de enigen die het kunnen betalen, geloof ik. Of doet de jeugd tegenwoordig de hele avond over één flesje bier en slikt men voor de rest pillen?
Ja, de wereld loopt ècht op me uit. Ik associeerde ambachtelijk bier altijd met rustig genieten en niet met schreeuwerig gedoe. Ik snap het niet helemaal meer, geloof ik. 

Nou ja; er is een upside. Iedereen kan er nu van genieten, zoals T. en ik dat al 40 jaar doen. Het is jullie gegund, hipsters!


maandag 4 januari 2016

De Hollandse mythe leeft voort

God created the earth, but the Dutch created the Netherlands, zo luidt een populaire mythe, die vooral buitenlanders ervan moet moet overtuigen wat een bijzonder volkje wij Nederlanders wel niet zijn.
Er is inderdaad iets merkwaardigs aan de hand geweest met de geestesgesteldheid van hen die dit land sinds de middeleeuwen hebben bevolkt. Vanaf dat moment moesten de Hollanders namelijk serieus moeite gaan doen om hun land droog te houden. En niet zo'n klein beetje ook.

Toen de Romeinen in het gebied waren waar Maas en Rijn samenkomen, was het landareaal van het gebied dat nu Nederland wordt genoemd groter dan het rond 1300 was. In de Romeinse tijd bestond de Zeeuwse delta nog niet en ook de Zuiderzee moest zich nog vormen. Op de plek waar dat later zou ontstaan, lag toen een flink meer, dat de Romeinen Lacus Flevo noemden. Het had een omvang die niet veel meer was dan ongeveer éénderde van de latere Zuiderzee. Rond dat meer en tussen de duinenrij, die van noord naar zuid de kustlijn vormde, en de hogere zandgronden lag een enorm veengebied.
























Met dat veen was in eerste instantie niet veel te beginnen. Het was ternauwernood begaanbaar. Er iets op verbouwen of er vee weiden was niet te doen. Het was te nat en te drassig.
Zoals vrijwel overal in Europa trad de kerk in eerste instantie op als de instantie die woeste grond in cultuur bracht. Monniken ontgonnen vanaf de vroege middeleeuwen in heel Europa land om het voor één of ander doel te kunnen benutten. In het westen van Nederland groeven ze kanaaltjes door het veen om het te draineren. Die kanaaltjes kwamen uit in één van de vele kleine riviertjes die door het gebied liepen, of ze loosden direct op zee. Het ontwaterde veen verloor volume en klonk in. Toen daardoor het land lager kwam te liggen dan de gemiddelde hoogwaterstand op zee, werden er dijken rond de ontgonnen gebieden gelegd. In die dijken maakte men spuisluizen. Bij laag water op zee kon men aldus nog steeds kwel- en regenwater uit de polders lozen. Het land bleef echter dalen, door het voortgaande ontwateren.
Op het moment dat het land lager kwam te liggen dan het gemiddelde laagwaterpeil op zee, werd het noodzakelijk actief water uit de polders te malen. Vanaf de late middeleeuwen gebruikte men hiervoor windmolens. Later kwamen de stoomgemalen. Een groot deel van West-Nederland kwam onder de zeespiegel te liggen.

Uiteindelijk kostte het dus behoorlijk wat moeite om het westen van Nederland bewoonbaar te houden. Niet alleen vrat het drooghouden een aanzienlijk deel op van wat je het bruto nationaal product van het Nederland van de 16e, 17e en 18e eeuw zou kunnen noemen; wonen onder de zeespiegel bleek ook niet zonder risico's. Overstromingen, met flinke aantallen slachtoffers, kwamen met regelmaat voor.

Kennelijk is in al die eeuwen nooit het idee gerezen dat het wellicht veiliger, en economisch gezien beter, zou kunnen zijn het zompige westen van Nederland te verlaten, om een nieuw en bestendiger leven te beginnen op de hogere gronden ten oosten van Utrecht.
In tegendeel: het risicogebied, dat Holland was geworden, groeide uiteindelijk uit tot de economische motor van Nederland en de zogenaamde randstad tot één van dichtstbevolkte delen van de wereld.

Zie hier hoe een mythe werd geboren: ieder ander volk zou het bijltje er, nog voor het aanbreken van onze Gouden Eeuw, bij neer hebben gegooid. De Hollanders echter niet. Die vonden het geen punt om hun land ten koste van veel geld en aanzienlijke risico's droog te houden en te ontwikkelen tot één van de meest welvarende streken op deze aardbol.
Ondanks het gegeven dat ze hun probleem met het water grotendeels zelf hadden gecreëerd, door te kiezen voor een twijfelachtig woongebied en door dat ontwateren ervoor te zorgen dat ze steeds verder wegzakten in hun moerasdelta.
Het is een vreemde constatering dat we het onszelf in eerste instantie zó moeilijk hebben gemaakt en desondanks toch zo stinkend rijk zijn geworden. In de rest van wereld snapt men er niks van en in Nederland beschouwd men het grotendeels als een vanzelfsprekend gegeven. Wat het goed beschouwd niet is. Eigenlijk is het vrij raadselachtig. Men kan met recht van een mythe spreken.

Maar goed. Wij Nederlanders zijn die doorlopende strijd aangegaan. We weten ondertussen niet beter en wat meer is: na elke tegenslag beleven we weer een nieuw finest hour. Al in de 17e eeuw werd in Noord-Holland de ene droogmakerij na de andere aangelegd. Toen in 1916 de oevers van de Zuiderzee werden getroffen door zware overstromingen, bedacht Lely de afsluitdijk en de plannen voor de IJsselmeerpolders. Na de ramp van 1953 kwam het Deltaplan en na de bijna-rampen van 1993 en 1995, waarbij het rivierengebied en een deel van het groene hart bijna onderliep, kwam het plan Ruimte voor de rivier.

Van dat laatste plan zag ik afgelopen zaterdag één van de resultaten. De herinrichting van het landbouwgebied ten noorden van de Brabantse Biesbosch en ten zuiden van de Nieuw Merwede.
Het heeft de naam Grote Noordwaard gekregen en het markeert een omslagpunt in het denken omtrent onze strijd tegen het water.
Voor het eerst in pakweg duizend jaar is Nederland bereid om iets toe te geven in die strijd. Namelijk dat hardnekkig vasthouden aan het drooghouden van elke vierkante meter Nederland, onder àlle omstandigheden, een doodlopende weg is.


















In de Grote Noordwaard is een grote doorlaat geschapen voor rivierwater dat naar zee wil. De dijk langs de Nieuwe Merwede is voorzien van een aantal grote gaten, die worden overspannen met bruggen. Het gebied ten zuiden daarvan is omgevormd van landbouwgebied, dat ten alle tijde droog moet blijven, tot natuurgebied, dat altijd mag onderlopen en gedeeltelijk tot weidegebied, dat bij serieus hoge rivierstanden óók mag overstromen.
En passant heeft men ter plaatse bovendien een volledig nieuw landschap geschapen.
In tegenstelling tot veel eerdere nieuwe natuur heeft dat ook nog eens bijzonder fraai uitgepakt, wat mij betreft. Ik ken het gebied uit het verleden en het is er eigenlijk op vooruit gegaan.

















Het landschap is meer open geworden, terwijl het handhaven van een aantal bestaande boomgroepen het gebied als het ware een volwassen aanblik geeft. Een aantal oude Biesboschkreken, uit de tijd voor de inpoldering, die tot voor kort nogal verscholen als dode stukken water in het landbouwgebied lagen, zijn verbreed en uitgediept en kunnen zelfs weer bevaren worden.

































Het is hoopgevend om te zien dat er in het denken over de strijd tegen het water, het denken over natuurontwikkeling en het denken over landschapsontwerp, een ontwikkeling heeft plaatsgevonden die tot zo'n resultaat leidt.

Ons eigen land scheppen, maar dan anders. We kunnen het nog.
 

Klikken op de plaatjes toont ze in groter formaat.

Wie zich verder wil verdiepen in ontwerpvisie die aan de basis ligt van het plan kan deze hier downloaden: