maandag 4 januari 2016

De Hollandse mythe leeft voort

God created the earth, but the Dutch created the Netherlands, zo luidt een populaire mythe, die vooral buitenlanders ervan moet moet overtuigen wat een bijzonder volkje wij Nederlanders wel niet zijn.
Er is inderdaad iets merkwaardigs aan de hand geweest met de geestesgesteldheid van hen die dit land sinds de middeleeuwen hebben bevolkt. Vanaf dat moment moesten de Hollanders namelijk serieus moeite gaan doen om hun land droog te houden. En niet zo'n klein beetje ook.

Toen de Romeinen in het gebied waren waar Maas en Rijn samenkomen, was het landareaal van het gebied dat nu Nederland wordt genoemd groter dan het rond 1300 was. In de Romeinse tijd bestond de Zeeuwse delta nog niet en ook de Zuiderzee moest zich nog vormen. Op de plek waar dat later zou ontstaan, lag toen een flink meer, dat de Romeinen Lacus Flevo noemden. Het had een omvang die niet veel meer was dan ongeveer éénderde van de latere Zuiderzee. Rond dat meer en tussen de duinenrij, die van noord naar zuid de kustlijn vormde, en de hogere zandgronden lag een enorm veengebied.
























Met dat veen was in eerste instantie niet veel te beginnen. Het was ternauwernood begaanbaar. Er iets op verbouwen of er vee weiden was niet te doen. Het was te nat en te drassig.
Zoals vrijwel overal in Europa trad de kerk in eerste instantie op als de instantie die woeste grond in cultuur bracht. Monniken ontgonnen vanaf de vroege middeleeuwen in heel Europa land om het voor één of ander doel te kunnen benutten. In het westen van Nederland groeven ze kanaaltjes door het veen om het te draineren. Die kanaaltjes kwamen uit in één van de vele kleine riviertjes die door het gebied liepen, of ze loosden direct op zee. Het ontwaterde veen verloor volume en klonk in. Toen daardoor het land lager kwam te liggen dan de gemiddelde hoogwaterstand op zee, werden er dijken rond de ontgonnen gebieden gelegd. In die dijken maakte men spuisluizen. Bij laag water op zee kon men aldus nog steeds kwel- en regenwater uit de polders lozen. Het land bleef echter dalen, door het voortgaande ontwateren.
Op het moment dat het land lager kwam te liggen dan het gemiddelde laagwaterpeil op zee, werd het noodzakelijk actief water uit de polders te malen. Vanaf de late middeleeuwen gebruikte men hiervoor windmolens. Later kwamen de stoomgemalen. Een groot deel van West-Nederland kwam onder de zeespiegel te liggen.

Uiteindelijk kostte het dus behoorlijk wat moeite om het westen van Nederland bewoonbaar te houden. Niet alleen vrat het drooghouden een aanzienlijk deel op van wat je het bruto nationaal product van het Nederland van de 16e, 17e en 18e eeuw zou kunnen noemen; wonen onder de zeespiegel bleek ook niet zonder risico's. Overstromingen, met flinke aantallen slachtoffers, kwamen met regelmaat voor.

Kennelijk is in al die eeuwen nooit het idee gerezen dat het wellicht veiliger, en economisch gezien beter, zou kunnen zijn het zompige westen van Nederland te verlaten, om een nieuw en bestendiger leven te beginnen op de hogere gronden ten oosten van Utrecht.
In tegendeel: het risicogebied, dat Holland was geworden, groeide uiteindelijk uit tot de economische motor van Nederland en de zogenaamde randstad tot één van dichtstbevolkte delen van de wereld.

Zie hier hoe een mythe werd geboren: ieder ander volk zou het bijltje er, nog voor het aanbreken van onze Gouden Eeuw, bij neer hebben gegooid. De Hollanders echter niet. Die vonden het geen punt om hun land ten koste van veel geld en aanzienlijke risico's droog te houden en te ontwikkelen tot één van de meest welvarende streken op deze aardbol.
Ondanks het gegeven dat ze hun probleem met het water grotendeels zelf hadden gecreëerd, door te kiezen voor een twijfelachtig woongebied en door dat ontwateren ervoor te zorgen dat ze steeds verder wegzakten in hun moerasdelta.
Het is een vreemde constatering dat we het onszelf in eerste instantie zó moeilijk hebben gemaakt en desondanks toch zo stinkend rijk zijn geworden. In de rest van wereld snapt men er niks van en in Nederland beschouwd men het grotendeels als een vanzelfsprekend gegeven. Wat het goed beschouwd niet is. Eigenlijk is het vrij raadselachtig. Men kan met recht van een mythe spreken.

Maar goed. Wij Nederlanders zijn die doorlopende strijd aangegaan. We weten ondertussen niet beter en wat meer is: na elke tegenslag beleven we weer een nieuw finest hour. Al in de 17e eeuw werd in Noord-Holland de ene droogmakerij na de andere aangelegd. Toen in 1916 de oevers van de Zuiderzee werden getroffen door zware overstromingen, bedacht Lely de afsluitdijk en de plannen voor de IJsselmeerpolders. Na de ramp van 1953 kwam het Deltaplan en na de bijna-rampen van 1993 en 1995, waarbij het rivierengebied en een deel van het groene hart bijna onderliep, kwam het plan Ruimte voor de rivier.

Van dat laatste plan zag ik afgelopen zaterdag één van de resultaten. De herinrichting van het landbouwgebied ten noorden van de Brabantse Biesbosch en ten zuiden van de Nieuw Merwede.
Het heeft de naam Grote Noordwaard gekregen en het markeert een omslagpunt in het denken omtrent onze strijd tegen het water.
Voor het eerst in pakweg duizend jaar is Nederland bereid om iets toe te geven in die strijd. Namelijk dat hardnekkig vasthouden aan het drooghouden van elke vierkante meter Nederland, onder àlle omstandigheden, een doodlopende weg is.


















In de Grote Noordwaard is een grote doorlaat geschapen voor rivierwater dat naar zee wil. De dijk langs de Nieuwe Merwede is voorzien van een aantal grote gaten, die worden overspannen met bruggen. Het gebied ten zuiden daarvan is omgevormd van landbouwgebied, dat ten alle tijde droog moet blijven, tot natuurgebied, dat altijd mag onderlopen en gedeeltelijk tot weidegebied, dat bij serieus hoge rivierstanden óók mag overstromen.
En passant heeft men ter plaatse bovendien een volledig nieuw landschap geschapen.
In tegenstelling tot veel eerdere nieuwe natuur heeft dat ook nog eens bijzonder fraai uitgepakt, wat mij betreft. Ik ken het gebied uit het verleden en het is er eigenlijk op vooruit gegaan.

















Het landschap is meer open geworden, terwijl het handhaven van een aantal bestaande boomgroepen het gebied als het ware een volwassen aanblik geeft. Een aantal oude Biesboschkreken, uit de tijd voor de inpoldering, die tot voor kort nogal verscholen als dode stukken water in het landbouwgebied lagen, zijn verbreed en uitgediept en kunnen zelfs weer bevaren worden.

































Het is hoopgevend om te zien dat er in het denken over de strijd tegen het water, het denken over natuurontwikkeling en het denken over landschapsontwerp, een ontwikkeling heeft plaatsgevonden die tot zo'n resultaat leidt.

Ons eigen land scheppen, maar dan anders. We kunnen het nog.
 

Klikken op de plaatjes toont ze in groter formaat.

Wie zich verder wil verdiepen in ontwerpvisie die aan de basis ligt van het plan kan deze hier downloaden: